Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 februari 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:458
ABN AMRO/werknemer
Werknemer is van 3 februari 1969 tot 1 januari 2011 in loondienst van ABN AMRO geweest. Met ingang van 1 januari 2011 heeft hij gebruik gemaakt van een voor werknemers van ABN AMRO geldende regeling die voorzag in de mogelijkheid van vervroegde – vóór de pensioendatum van de werknemer – uitdiensttreding, de zogeheten ‘VUT-regeling’. Hiertoe heeft hij op 22 augustus 2010 aan ABN AMRO een door hem ingevuld en ondertekend ‘Aanvraagformulier vervroeging pensioen’ toegestuurd. Bij brief van 6 september 2010 heeft ABN AMRO aan werknemer bevestigd dat zij dat formulier had ontvangen en hem meegedeeld: ‘Ongeveer 2 maanden voor de ingangsdatum van uw VUT-regeling ontvangt u van ons uw VUT-overeenkomst.’ Op 7 september 2010 is tussen ABN AMRO en een viertal vakbonden waarbij werknemers van ABN AMRO waren aangesloten, een principeakkoord bereikt over een nieuwe cao waarbij bepaalde arbeidsvoorwaarden werden gewijzigd. Dit principeakkoord is op 26 november 2010 door de betrokken vakbonden aanvaard en de gewijzigde arbeidsvoorwaarden zijn in werking getreden op 1 januari 2011. Deze nieuwe cao had een looptijd van 1 maart 2010 tot 1 januari 2013. De hieraan voorafgaande, in de brief van 16 november 2010 van ABN AMRO aan werknemer genoemde, cao bevatte een regeling die – in geval van overlijden van de betrokkene – nabestaanden van (1) werknemers van ABN AMRO, (2) oud-werknemers die van de VUT-regeling gebruik maakten en (3) gepensioneerden van ABN AMRO het recht gaf op een overlijdensuitkering gelijk aan respectievelijk driemaal het laatstgenoten maandloon, driemaal de maandelijkse VUT-uitkering of driemaal het maandelijkse ouderdomspensioen. De nieuwe cao beperkte deze regeling tot personen behorend tot categorie (1). Toepassing van de nieuwe cao zou voor werknemer meebrengen dat – in geval van zijn overlijden – zijn nabestaanden geen aanspraak zouden kunnen maken op een overlijdensuitkering zoals hierboven omschreven. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de beperking van het recht op een overlijdensuitkering voor nabestaanden niet van toepassing is, althans niet moet worden toegepast, op de rechtsbetrekking tussen ABN AMRO en hem. In eerste aanleg heeft hij in dit verband, onder andere, gesteld te hebben gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst tot vervroegde uitdiensttreding, een beroep gedaan op de bevoegdheid van de rechter om in een zodanig geval de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen en gewezen op de verplichting van ABN AMRO om zich als een goed werkgever te gedragen, met welke verplichting – volgens werknemer – toepassing van de genoemde beperking onverenigbaar is. De kantonrechter heeft het verweer op grond van het goed werkgeverschap gehonoreerd.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer had voor de totstandkoming van de nieuwe cao de aanvraag ingediend en gehonoreerd gekregen. Dat in de VUT-regeling een verwijzing stond opgenomen naar de cao, brengt nog niet met zich dat dit een dynamische incorporatie betreft, laat staan dat werknemer zich ervan bewust moest zijn dat daarmee de regels anders zouden kunnen worden. Hij behoudt derhalve het niet beperkte recht voor nabestaanden.