Naar boven ↑

Rechtspraak

Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) en Europese Octrooi Organisatie/Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau en Staff Union of the European Patent Office
Hoge Raad, 11 september 2015
ECLI:NL:HR:2015:2534

Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) en Europese Octrooi Organisatie/Vakbondsunie van het Europees Octrooibureau en Staff Union of the European Patent Office

Staat heeft belang bij voeging in geschil tussen vakbond en Europese Octrooi Organisatie over mogelijke beperking stakingsrecht. Volkenrechtelijke verplichtingen en immuniteit.

(Cassatie op AR 2015-0307.) De hoofdzaak van deze procedure betreft een geschil tussen VEOB c.s. en EOO over onder meer de per 1 juli 2013 door EOO ingevoerde bepalingen van haar ‘Service Regulations for Permanent Employees’ (hierna: het Dienstreglement). VEOB c.s. klagen dat EOO door de invoering van deze regels het recht op staking te zeer beperkt en het vakbondswerk belemmert, alsmede dat EOO hen niet toelaat tot collectieve onderhandelingen. Het hof heeft EOO in het in cassatie bestreden arrest (1) geboden om VEOB c.s. onbelemmerde toegang tot het e-mailsysteem van EOO te geven als nader omschreven in zijn arrest, (2) verboden om toepassing te geven aan artikel 30a lid 2 en 10 Dienstreglement en (3) geboden om VEOB c.s. toe te laten tot collectieve onderhandelingen. De minister van Justitie heeft een aanzegging gedaan als bedoeld in artikel 3a lid 2 Gerechtsdeurwaarderswet, waarin hij verklaart de ambtshandeling van de betekening van het arrest van het hof, alsmede van de aangekondigde executiemaatregelen in strijd te achten met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse Staat en dat uitvoering daarvan moet worden geweigerd. De Staat vordert zich in dit geding in cassatie te mogen voegen aan de zijde van EOO. Hij stelt belang bij voeging te hebben omdat het bestreden arrest in strijd is met de immuniteit van jurisdictie en van executie die aan EOO als internationale organisatie toekomt. De Staat is verplicht de naleving te waarborgen van de volkenrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit de door de Staat met EOO gesloten verdragen, waaronder genoemde immuniteit.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert (HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1602, NJ 2015/295). Gelet op het door hem gestelde, dat niet is betwist, heeft de Staat het voor voeging vereiste belang en is de vordering toewijsbaar.