Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 september 2015
ECLI:EU:C:2015:565
João Filipe Ferreira da Silva e Brito e.a./Estado português
Op 19 februari 1993 is Air Atlantis SA (hierna: AIA), een in 1985 opgerichte vennootschap die niet-geregeld luchtvervoer (chartervluchten) verzorgde, ontbonden. Naar aanleiding daarvan zijn verzoekers in het hoofdgeding collectief ontslagen. Vanaf 1 mei 1993 heeft TAP, de vennootschap die hoofdaandeelhouder van AIA was, een deel van de vluchten uitgevoerd waartoe AIA zich had verbonden voor het tijdvak van 1 mei tot en met 31 oktober 1993. TAP heeft tevens een aantal chartervluchten, een markt waarop zij nog niet actief was, uitgevoerd op routes waarop AIA voordien vloog. Daartoe heeft TAP gebruikgemaakt van een deel van de uitrusting die AIA voor haar activiteiten gebruikte, met name van vier vliegtuigen. Zij heeft ook de betaling op zich genomen van de huur die was verschuldigd op basis van de leaseovereenkomsten voor die vliegtuigen en heeft de kantooruitrusting overgenomen die eigendom was van AIA en die deze gebruikte in haar kantoren te Lissabon en Faro (Portugal), alsook andere roerende goederen. Bovendien heeft TAP een aantal voormalige werknemers van AIA in dienst genomen. Werknemers zijn opgekomen tegen hun collectief ontslag, waarbij zij herplaatsing binnen TAP en uitbetaling van hun loon hebben gevorderd. Het hof overwoog dat ‘het louter voortzetten’ van een commerciële activiteit niet volstaat om te kunnen spreken van de overgang van een vestiging, aangezien ook de identiteit van de vestiging moet zijn behouden. In casu heeft TAP bij de uitvoering van de betreffende vluchten in de zomer van 1993 evenwel geen gebruik gemaakt van een ‘entiteit’ die dezelfde identiteit had als de ‘entiteit’ die voordien toebehoorde aan AIA. Aangezien de twee betrokken ‘entiteiten’ niet identiek zijn, kan volgens het Supremo Tribunal de Justiça niet worden geoordeeld dat sprake is van een overgang van een vestiging. De hoogste Portugese rechter deelt dit standpunt en oordeelt dat geen prejudiciële vragen zullen worden gesteld. Verzoekers in het hoofdgeding hebben vervolgens tegen de Estado português een vordering wegens niet-contractuele civielrechtelijke aansprakelijkheid ingesteld, die strekt tot veroordeling van de Staat tot vergoeding van bepaalde vermogensschade die zij hebben geleden. Ter ondersteuning van hun vordering hebben zij betoogd dat het betreffende arrest van het Supremo Tribunal de Justiça kennelijk onrechtmatig is, aangezien het een onjuiste uitlegging geeft van het begrip ‘overgang van een vestiging’ in de zin van Richtlijn 2001/23 en die rechterlijke instantie niet heeft voldaan aan haar verplichting om het Hof de relevante vragen over de uitlegging van het Unierecht te stellen.
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 1 lid 1 van Richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘overgang van een vestiging’ ook betrekking heeft op een situatie waarin een onderneming die actief is op de markt voor chartervluchten, wordt ontbonden door haar hoofdaandeelhouder, die zelf een luchtvaartonderneming is, en laatstgenoemde onderneming vervolgens in de plaats treedt van de ontbonden onderneming door de overeenkomsten betreffende de huur van vliegtuigen en de lopende charterovereenkomsten over te nemen, activiteiten uitvoert die voordien door de ontbonden onderneming werden verricht, sommige werknemers die tot dat ogenblik waren gedetacheerd bij die onderneming, weer in dienst neemt en hen belast met dezelfde taken als zij voordien uitvoerden, en kleine uitrusting van die onderneming overneemt. Allereerst zij beklemtoond dat in een situatie als in het hoofdgeding, die de luchtvaartsector betreft, de overdracht van materieel van wezenlijk belang moet worden geacht om te beoordelen of sprake is van de ‘overgang van een vestiging’ in de zin van artikel 1 lid 1 van Richtlijn 2001/23 (zie in die zin arrest Liikenne, C-172/99, ECLI:EU:C:2001:59, punt 39). In dat verband is TAP blijkens de verwijzingsbeslissing in de plaats getreden van AIA in de huurovereenkomsten betreffende de vliegtuigen en heeft zij daadwerkelijk van die vliegtuigen gebruikgemaakt, wat wijst op de overname van activa die noodzakelijk zijn om de activiteit voort te zetten die voordien door AIA werd uitgevoerd. Bovendien is nog andere uitrusting overgenomen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 48, 51, 53, 56 en 58 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bevestigen andere elementen, gelet op de in punt 26 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte criteria, dat in het hoofdgeding sprake is van de ‘overgang van een vestiging’ in de zin van artikel 1 lid 1 van Richtlijn 2001/23. Zo is TAP in de plaats getreden van AIA in de lopende charterovereenkomsten met touroperators, wat erop wijst dat TAP de clientèle van AIA heeft overgenomen, heeft TAP chartervluchten verzorgd op routes waarop AIA voordien vloog, waaruit blijkt dat TAP de activiteiten voortzet die vroeger door AIA werden uitgevoerd, heeft TAP werknemers die bij AIA waren gedetacheerd, weer in dienst genomen om hen dezelfde taken te laten verrichten als in laatstgenoemde vennootschap, wat erop wijst dat TAP het personeel van AIA gedeeltelijk heeft overgenomen, en heeft TAP ten slotte vanaf 1 mei 1993 een deel van de charteractiviteiten overgenomen die AIA tot haar ontbinding in februari 1993 uitvoerde, waaruit blijkt dat de overgedragen activiteiten nauwelijks zijn onderbroken. Bijgevolg is het voor de toepassing van artikel 1 lid 1 van Richtlijn 2001/23 niet relevant dat de entiteit waarvan het materieel en een gedeelte van het personeel zijn overgenomen, in de structuur van TAP is geïntegreerd zonder haar autonome organisatorische structuur te behouden, aangezien een band is blijven bestaan tussen enerzijds dat aan laatstgenoemde vennootschap overgedragen materieel en personeel en anderzijds de voortzetting van de activiteiten die voordien werden uitgevoerd door de ontbonden vennootschap. Tegen die feitelijke achtergrond is het van weinig belang dat het betreffende materieel is gebruikt om er zowel lijnvluchten als chartervluchten mee uit te voeren, aangezien het hoe dan ook luchtvervoersactiviteiten zijn, waarbij niet mag worden vergeten dat TAP de contractuele verplichtingen van AIA betreffende die chartervluchten is nagekomen. Uit de punten 46 en 47 van het arrest Klarenberg (C-466/07, ECLI:EU:C:2009:85) vloeit immers voort dat niet het behoud van de specifieke wijze waarop de ondernemer de verschillende overgedragen productiefactoren had georganiseerd, relevant is om te besluiten dat de identiteit van de overgegane entiteit is bewaard, maar wel het behoud van de functionele band die maakt dat die factoren onderling samenhangen en elkaar aanvullen. De handhaving van een dergelijke functionele band tussen de verschillende overgedragen factoren biedt de verkrijger dus de mogelijkheid om deze, zelfs in geval van de integratie ervan, na de overgang, in een nieuwe, verschillende organisatorische structuur te gebruiken om dezelfde of een soortgelijke economische activiteit voort te zetten (zie arrest Klarenberg, C-466/07, ECLI:EU:C:2009:85, punt 48). Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 1 lid 1 van Richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip ‘overgang van een vestiging’ ook betrekking heeft op een situatie waarin een onderneming die actief is op de markt voor chartervluchten, wordt ontbonden door haar hoofdaandeelhouder, die zelf een luchtvaartonderneming is, en laatstgenoemde onderneming vervolgens in de plaats treedt van de ontbonden onderneming door de overeenkomsten betreffende de huur van vliegtuigen en de lopende charterovereenkomsten over te nemen, activiteiten uitvoert die voordien door de ontbonden onderneming werden verricht, sommige werknemers die tot dat ogenblik waren gedetacheerd bij die onderneming, weer in dienst neemt en hen belast met dezelfde taken als zij voordien uitvoerden, en kleine uitrusting van die onderneming overneemt.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 267 derde alinea VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in omstandigheden als in het hoofdgeding en met name omdat lagere rechterlijke instanties in hun beslissingen het begrip ‘overgang van een vestiging’ in de zin van Richtlijn 2001/23 verschillend hebben uitgelegd, in beginsel verplicht is zich voor de uitlegging van dat begrip tot het Hof te wenden. Wat de omvang van die verplichting betreft, is het sinds de uitspraak van het arrest Cilfit e.a. (283/81, ECLI:EU:C:1982:335) vaste rechtspraak dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, gehouden is een voor haar gerezen vraag over het Unierecht naar het Hof te verwijzen, tenzij zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. Wat het in het geding zijnde onderwerp betreft, dient evenwel te worden beklemtoond dat de uitlegging van het begrip ‘overgang van een onderneming’ tal van vragen heeft opgeroepen bij een groot aantal nationale rechterlijke instanties, die bijgevolg genoodzaakt waren zich tot het Hof te wenden. Uit die vragen blijkt niet alleen dat de uitlegging moeilijkheden oplevert, maar ook dat gevaar bestaat voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie.
Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat het Unierecht en meer bepaald de door het Hof geformuleerde beginselen betreffende de aansprakelijkheid van de staat voor de schade die particulieren lijden ten gevolge van een schending van het Unierecht door een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die als voorwaarde stelt dat de schadeveroorzakende beslissing van die rechterlijke instantie voorafgaandelijk is vernietigd, terwijl die vernietiging in feite uitgesloten is.