Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 8 september 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:4317
werknemer/Doevenkamp B.V., handelend onder de naam ADhD Noord
ADhD Noord exploiteert een particuliere zorginstelling. Een belangrijk onderdeel van haar dienstverlening is het beschermd wonen binnen een 24 uurszorg. Werknemer is per 1 juli 2012 bij ADhD Noord in dienst getreden als begeleider voor 32-38 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden. Dit dienstverband is aansluitend verlengd voor de duur van een jaar en vervolgens opnieuw verlengd voor de duur van zes maanden. Per 1 juli 2014 heeft ADhD Noord besloten de arbeidsovereenkomst met werknemer niet te verlengen. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Werknemer heeft een eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vanaf 5 januari 2015 heeft werknemer diensten aangeboden aan ex-cliënten van ADhD Noord. Kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of werknemer het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden en of hij (nog) aan dat beding kan worden gehouden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De eis van werknemer zal overeenkomstig de ter zitting uitgesproken mondelinge wijziging (vermindering) krachtens artikel XXIIc (overgangsrecht WWZ) worden behandeld op basis van artikel 7:653 BW, zoals dat luidde vóór 1 juli 2015. Vooropgesteld zij dat werknemer zich bovenal op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van ‘identieke bedrijfsactiviteiten’, zoals in het concurrentiebeding is omschreven. Dit is inderdaad in het kader van deze procedure onvoldoende komen vast te staan. De onderneming van werknemer richt zich op een andere doelgroep. Van een overtreding van het concurrentiebeding is voorshands oordelend onvoldoende gebleken. Dit voorlopig oordeel omvat ook het relatiebeding. Veronderstellenderwijs evenwel dat de bedrijfsactiviteiten elkaar (deels) overlappen, overweegt de kantonrechter dat ADhD Noord onvoldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt welk zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zij met het vastleggen en het handhaven van dit concurrentiebeding wenst te beschermen. Gesteld noch gebleken is dat werknemer belangrijke en exclusieve bedrijfsinformatie, die hij alleen maar tijdens zijn dienstverband bij ADhD Noord heeft kunnen opdoen, ‘misbruikt’, waarbij de kantonrechter niet onder die specifieke bedrijfsinformatie verstaat de kennis en vaardigheden die werknemer, als reguliere werkervaring, tijdens het dienstverband (zelf) heeft opgedaan. Dit zou wel, zij het in beperkte mate, kunnen gelden voor de kennis van de klantenkring van ADhD Noord, maar een dergelijk te beschermen belang neemt af naarmate de tijd verstrijkt. Dit geldt eens te meer nu – blijkens een eigen productie van ADhD Noord – in de omgeving van Stadkanaal ‘maar liefst’ door 221 hulpverleners dezelfde hulp en begeleiding wordt aangeboden als werknemer biedt. Dat van ADhD Noord verlangd mag worden dat zij haar te beschermen zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang onderbouwt en aannemelijk maakt, vloeit voort uit die per 1 juli 2015 in het gewijzigde artikel 7:653 BW gestelde eis waar het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het moge zo zijn dat blijkens het overgangsrecht op deze zaak het ‘oude’ recht nog van toepassing is, dit laat onverlet dat de inmiddels gewijzigde maatschappelijke opvatting, die ten grondslag ligt aan voormelde wetswijziging, in de belangenafweging mag worden betrokken. Volgt schorsing van het concurrentie- en relatiebeding.