Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 7 juli 2015
ECLI:NL:RBZWB:2015:6146
werkneemster/werkgever
Werkneemster is op 3 februari 2003 in dienst getreden. Laatstelijk was zij werkzaam als Business Manager. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Bij beschikking van 26 maart 2015 is de arbeidsovereenkomst per 15 april 2015 ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 95.000 bruto aan werkneemster. Werkneemster vordert schorsing van het concurrentie- en relatiebeding. Zij voert onder meer het volgende aan. Omdat de grond van de ontbinding en de gevolgen daarvan volledig aan werkgever waren te wijten, is een beëindigingsvergoeding met een correctiefactor van 1,5 toegekend. Hierdoor is thans analoge toepassing van artikel 7:653 lid 4 BW in samenhang met artikel 7:677 lid 3 BW gerechtvaardigd. Werkneemster stelt verder onbillijk te worden benadeeld door het concurrentie- en relatiebeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter zitting is door werkgever verklaard dat werkneemster alleen aan het relatiebeding zal worden gehouden. Het relatiebeding is in het onderhavige geval een beding dat werkneemster in haar recht beperkt om na het einde van de arbeidsovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn. Daarmee valt het relatiebeding onder de strekking van het bepaalde in artikel 7:653 BW. Ter zitting is ter sprake gekomen dat (enkele) bepalingen van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) op 1 juli 2015 in werking zijn getreden. De kantonrechter ziet zich, gelet op het debat tussen partijen, gesteld voor de vraag of toepassing van het tot 1 juli 2015 geldende artikel 7:653 lid 3 BW, dan wel het vanaf 1 juli 2015 geldende artikel 7:653 lid 4 BW, van toepassing is. Vast staat dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de WWZ en voor de wijziging van gemeld artikel als bedoeld. Bovendien is de arbeidsovereenkomst ook geëindigd voor de datum van de wijziging van bedoeld artikel, te weten op 15 april 2015. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis en het overgangsrecht (onder andere Verzamelwet SZW 2015, Kamerstukken II 2013/14, 33988, 6, p. 33) wordt geoordeeld dat de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht dat het aanpassen van de terminologie ‘schadeplichtig’ (art. 7:653 lid 3 BW) wijzigde in ‘ernstig verwijtbaar handelen’ voor die gevallen waarin het nieuwe ontslag van toepassing werd. De kantonrechter is niet gebleken dat de wetgever heeft bedoeld om gevallen waarop het oude ontslag van toepassing is/was, de nieuwe terminologie en daarmee het criterium ‘ernstig verwijtbaar handelen’ toe te passen. Dit klemt temeer nu niet alleen de overeenkomst ruim voor de inwerkingtreding van de WWZ is aangegaan, maar bovendien de beëindiging van de overeenkomst voor 1 juli 2015 heeft plaatsgevonden. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling dan ook uitgaan van het bepaalde in artikel 7:653 lid 3 BW zoals dat tot 1 juli 2015 gold. Anders dan werkgever heeft betoogd is voldoende vast komen te staan dat werkgever schadeplichtig is geworden terzake de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is immers ontbonden onder toekenning van een vergoeding met C=1,5. Onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de kantonrechter te Hoorn (14 oktober 2002, JAR 2002/263) neemt de kantonrechter het verval van het relatiebeding aan naar analogie van het bepaalde in artikel 7:653 lid 3 BW. Het concurrentie- en relatiebeding worden geschorst.