Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 15 september 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:3603
MCC BV/werknemer
(Vervolg op HR 17 oktober 2014, AR 2014-0879). Werknemer is op 1 december 2006 in dienst getreden van Mega Alu Systems B.V. (hierna: MAS; later MCC) in de functie van algemeen medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden, met een arbeidsduur van minimaal één uur met uitloop tot 38 uur per week. Nadien hebben partijen verschillende tijdelijke contracten gehad. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 1 maart 2008 tot 1 maart 2009 met een omvang van 30 uur per week. Op 29 oktober 2008 is werknemer uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. Werknemer stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en vordert – onder verwijzing naar de cao – 100% van zijn loon. Het hof heeft de vorderingen afgewezen, stellende dat niet bewezen is dat de CAO Metaalbewerking van toepassing is op zijn arbeidsovereenkomst. Het hof overwoog (en in gelijke zin concludeerde de A-G) dat de vordering tot betaling van 100% van het loon gebaseerd op de cao-bepalingen, niet met zich brengt dat op grond van artikel 24 jo. 25 Rv ambtshalve ook aan artikel 7:629 BW getoetst moet worden. In cassatie klaagt werknemer onder meer dat hij op grond van artikel 7:629 BW in ieder geval gedeeltelijk recht heeft op loon. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 oktober 2014 overwogen dat nadat het gerechtshof te Arnhem had geoordeeld dat aan werknemer geen beroep toekwam op de CAO Metaalbewerking, het niet is ingegaan op de vraag of de vordering gedeeltelijk toewijsbaar was. Als het hof dit niet heeft gedaan omdat het van oordeel was dat artikel 7:629 lid 1 BW daarvoor geen grondslag kon bieden, is het van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het hof had immers reeds vastgesteld dat tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en de arbeidsongeschiktheid van werknemer wegens ziekte was niet in geschil. Als het hof op andere gronden van oordeel was dat voor gedeeltelijke toewijzing van de vordering onvoldoende grond bestond, is zijn oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad.
Het hof oordeelt als volgt. Het hof zal de subsidiaire grondslag (art. 7:629 lid 1 BW) voor gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen tot loonbetaling van werknemer thans beoordelen. Feit is dat werknemer sinds 29 oktober 2008 wegens ziekte arbeidsongeschikt is. In rechte staat vast dat werknemer in verband daarmee verhinderd is om zijn werkzaamheden te verrichten. De vorderingen van werknemer zijn dan ook deels toewijsbaar op de subsidiaire grondslag. Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW houdt werknemer recht op doorbetaling van 70% van zijn loon, zolang hij wegens ziekte verhinderd is de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, voor zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Het hof ziet aanleiding de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen tot 10%. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat werknemer onbetwist heeft gesteld dat doordat zijn loon niet (tijdig) is betaald, hij in financiële problemen is gekomen. Anderzijds zijn de financiële omstandigheden van MCC klaarblijkelijk slecht. Voorts wijst het hof erop dat er in dit geval sprake is van cumulatie van wettelijke verhoging en rente. Ook is door de lange duur van de procedure de omvang van de toewijsbare vordering tot loonbetaling aanzienlijk toegenomen.