Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 september 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:8022
erven werknemer/Y
A is van 22 mei 1951 tot 30 juli 1951 en van 15 januari 1953 tot 2 mei 1959 in dienst geweest bij Hertel. Gedurende zijn werkzaamheden heeft A gespoten met asbest als isolatiemateriaal. Op 1 augustus 1992 is bij hem de diagnose asbestose vastgesteld. In oktober 1993 is bij A de diagnose longcarcinoom gesteld. In 1995 is A overleden. De erven hebben Hertel aansprakelijk gesteld. Op 20 oktober 2000 heeft de Hoge Raad in deze zaak uitspraak gedaan. Met betrekking tot de verjaringstermijn heeft de Hoge Raad verwezen naar de gezichtspunten zoals opgenomen in het arrest Van Hese/De Schelde (HR 28 april 2000). De Hoge Raad heeft het geding vervolgens verwezen naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. Bij brief van 24 april 2004 hebben de erven Y (advocaat) aansprakelijk gesteld voor het laten verstrijken van een termijn van meer dan drie jaar zonder de zaak bij het hof aan te brengen. De erven vorderen te verklaren voor recht dat Y toerekenbaar tekort is geschoten jegens de erven in haar inspanningsverplichting doordat zij niet heeft gehandeld zoals het een redelijk handelend en redelijk advocaat betaamt, en dat zij daarom schadeplichtig is jegens de erven.
De rechtbank oordeelt als volgt. Y stelt terecht dat thans beoordeeld dient te worden of het Gerechtshof Den Haag geoordeeld zou hebben dat het beroep op verjaring van Hertel B.V. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, en dat die beoordeling dient te geschieden aan de hand van de jurisprudentie zoals die gold in de periode 2003/2004 (en dan met name HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635). De erven hebben dit uitgangspunt overigens ook niet betwist. De rechtbank ziet aanleiding gezichtspunt g (aansprakelijkstelling binnen redelijke termijn en tijdig instellen van vordering tot schadevergoeding) het eerst te behandelen. De aansprakelijkstelling (van 6 oktober 1993) heeft op zich weliswaar binnen redelijke termijn plaatsgevonden, maar het instellen van de vordering (op 14 april 1997) niet. Aan deze conclusie komt in verhouding tot de overige gezichtspunten zeer groot gewicht toe in die zin, dat zij een contra-indicatie is voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Hertel zich op verjaring van de vordering beroept. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Hoge Raad in Van Hese/De Schelde voorop heeft gesteld dat de termijn van 30 jaren van artikel 3:310 lid 2 BW een objectief en in beginsel absoluut karakter heeft, dat deze termijn het beginsel van de rechtszekerheid beoogt te dienen, en dat dit meebrengt dat daar strikt de hand aan moet worden gehouden (maar dat dit niet wil zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW van toepassing zou kunnen blijven). Zoals Hartlief c.s.. opmerken komt aan gelaedeerden in uitzonderlijke omstandigheden enig respijt toe, maar is deze 'blessuretijd' beperkt, in die zin dat van hen verwacht mag worden dat zij een vordering voortvarend instellen. Dat is hier niet gebeurd. In dit geding blijft in het midden aan wie dit heeft gelegen. Vóór doorbreking van de verjaringstermijn pleiten weliswaar de gezichtspunten b (uitkeringen uit anderen hoofde), d (rekening houden met aansprakelijkheid), e (mogelijkheid van verweer) en f (verzekering), maar aan deze gezichtspunten gezamenlijk komt onvoldoende gewicht toe tegenover de omstandigheid dat de erven hun vordering niet binnen een redelijke termijn hebben ingesteld (g) en dat op zijn hoogst sprake is geweest van enige mate van schuld (c). Hieruit volgt dat de procedure bij het Gerechtshof Den Haag geen reële kans van slagen zou hebben gehad, en dat ervan moet worden uitgegaan dat de erven door de beroepsfout van Y geen schade hebben geleden. Volgt afwijzing van de vordering.