Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 22 september 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:2555
Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) en Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders/Algemeen Christelijke Politiebond c.s. (politiebonden)
Begin 2015 heeft overleg plaatsgehad over de totstandkoming van een nieuwe cao voor de politie. De voorgaande cao is per 31 december 2014 geëxpireerd. De politiebonden hebben dit overleg begin maart 2015 opgeschort – omdat zij vonden dat de standpunten van partijen in het overleg te ver uiteenliepen – en zijn overgegaan tot het voeren van acties. Op 10 juli 2015 is een onderhandelaarsakkoord gesloten met betrekking tot een centraal loonakkoord. Naar verwachting zal voor de sector politie op grond hiervan per 1 september 2015 een salarisverhoging van 1,25% tot stand komen en per 1 januari 2016 een salarisverhoging van 3%. Hierdoor zullen tezamen met de reeds afgesproken salarisverhoging van 0,8% per 1 januari 2016 de salarissen van politiemedewerkers per 1 januari 2016 met 5,05% stijgen. Daarnaast is sprake van een eenmalige uitkering van € 500 per 1 september 2015. Er zijn voor augustus opnieuw acties aangekondigd, waaronder het per 31 augustus 2015 stopzetten van politieassistentie aan deurwaarders. De Staat en KBvG hebben de voorzieningenrechter gevraagd de collectieve acties te verbieden. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de Staat en de KBvG afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. Volgens de Staat en KBvG is de actie onrechtmatig, omdat de actie: (1) de uitvoering van de wettelijke taak van de gerechtsdeurwaarder in essentiële mate onmogelijk maakt, waardoor de rechtsstaat niet goed functioneert, hetgeen een (ontoelaatbare) beperking oplevert van het recht op een ‘fair trial’ van derden (art. 6 EVRM) en (2) de grenzen van het recht op collectieve actie (ver) overschrijdt.
Het hof oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat de actie is gedekt door artikel 6 aanhef en onder 4 Europees Sociaal Handvest (ESH). Deze bepaling heeft rechtstreekse werking in Nederland. De actie dient daarom, ondanks de daaruit voortvloeiende en op de koop toe te nemen schadelijke gevolgen voor werkgever (de Staat) en derden (zoals de KBvG en (rechts)personen die beslag willen leggen op roerende zaken of een ontruimingsvonnis ten uitvoer willen leggen), in beginsel te worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht. Het ligt dan op de weg van de Staat en de KBvG om aannemelijk te maken dat deze beperking of uitsluiting naar de maatstaf van artikel G ESH gerechtvaardigd is. Dit laatste is slechts het geval indien beperkingen aan het recht op collectieve actie maatschappelijk gezien ‘dringend noodzakelijk’ zijn (zie voor dit laatste HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2309, NJ 1997/437, r.o. 4.3 (Streekvervoer)). Bij de beoordeling of een beperking of uitsluiting van de uitoefening van het recht op collectieve actie in het concrete geval, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is, dient de rechter alle omstandigheden mee te wegen (zie HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986/688 en HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2309, NJ 1997/437). Deze toets is een vraag van proportionaliteit. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en de aard van die belangen en die schade. Daargelaten of een scherpe scheiding mogelijk is tussen ‘essentiële’ en ‘niet essentiële’ diensten, geldt verder als uitgangspunt in de rechtspraak dat naarmate een dienst essentiëler is, er eerder plaats zal zijn voor beperkingen als bedoeld in artikel G ESH. Voor zover de Staat en de KBvG stellen dat het door artikel 6 EVRM beschermde grondrecht op een eerlijk proces per definitie in de weg staat aan de actie, omdat dat grondrecht (dat mede het recht op tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen omvat) in abstracto zwaarder weegt dan het grondrecht op collectieve actie, wordt die stelling verworpen. Op zich is het juist dat artikel 6 EVRM betrekking heeft op een stelsel dat voorziet in ‘protecting the implementation of judicial decisions’ als een ‘integral part of the trail for purposes of Article 6’ (EHRM 19 maart 1997, 18357/91, r.o. 40 (Hornsby/Griekenland)), waarbij ‘the execution cannot be unduly delayed’ (EHRM 28 juli 1999, 22774/93, r.o. 66 (Imobiliare Safi/Italië)) en dat de verdragsstaat dient te garanderen ‘to everyone the right to have a binding and enforceable judicial decision enforced within a reasonable time’ (EHRM 21 juli 2015, 31833/06 en 37537/06, r.o. 37 t/m 39 (Cingilli holding en Cingilioglu/Turkije)). In Nederland is voorzien in een stelsel dat aan deze voorwaarden beantwoordt. De onderhavige actie maakt – in elk geval op dit moment – niet dat dit stelsel als zodanig, dat wil zeggen: als systeem, niet meer aan deze voorwaarden voldoet, of dat – anders gezegd – de rechtstaat niet meer goed functioneert. Dat de actie voor onbepaalde tijd is aangezegd maakt dit – op dit moment – niet anders. Dat neemt niet weg dat het door artikel 6 EVRM beschermde recht op – geparafraseerd – ‘enforcement within a reasonable time’ van ‘judicial decisions’, van grote betekenis is in het kader van de door de rechter aan te leggen proportionaliteitstoets. Het is zonder meer duidelijk dat dit uitstel van executie tot (aanzienlijke) schade kan leiden voor derden, zoals bijvoorbeeld woningbouwverenigingen. Ook zal het voor kunnen komen dat roerende zaken door het uitblijven van beslaglegging geen verhaalsobject meer vormen. Het is echter inherent aan het recht op collectieve actie dat derden daardoor schade kunnen lijden. Ondanks de door de Staat en de KBvG genoemde aantallen van beslagen en ontruimingen per week die tijdens de actie niet kunnen plaatsvinden, kan – op dit moment – niet worden geoordeeld dat de schade (van derden) zo omvangrijk is geworden dat deze onaanvaardbaar is. Hierbij is van belang dat de politiebonden onvoldoende gemotiveerd weersproken hebben gesteld dat de deurwaarders – bijvoorbeeld – ontruimingen niet steeds direct na de uitspraak van de rechter plegen uit te voeren, maar dat deze worden ingepland, zodat er steeds enige tijd overheen gaat voordat deze plaatsvinden. De actie is met ingang van week 38 in een stadium dat er in beginsel geen politie meer aanwezig is bij het openen van deuren. Van belang op dit punt is dat de politiebonden hebben toegezegd en georganiseerd dat de politie beschikbaar is in schrijnende gevallen. De stelling van de Staat en de KBvG dat er sprake is van onacceptabele willekeur bij het bepalen van schrijnende gevallen, wordt verworpen. De voorbeelden die ter onderbouwing van deze stelling worden aangedragen zijn inhoudelijk door de politiebonden betwist en van onvoldoende gewicht om de conclusie van willekeur te rechtvaardigen. Hier komt nog bij dat door de politiebonden op vragen van het hof is toegezegd dat ontruimingen op grond van ernstige – acute – overlast in beginsel tot prioriteit 2 worden gerekend, zodat daarbij – eveneens in beginsel – politie aanwezig zal zijn. Tot slot is van belang dat de politiebonden vanwege de essentiële taak die de politie in het functioneren van de rechtsstaat vervult, beperkt is in de keuze van actiemiddelen die druk kunnen zetten op de inzet van de actie, namelijk de door de politiebonden gewenste arbeidsvoorwaarden. Het feit dat er op korte termijn een gesprek komt tussen de politiebonden en de minister maakt niet dat de actie reeds daarom (tijdelijk) moet worden gestaakt, nog los van het feit dat het voeren van een gesprek nog niet betekent dat er over bedoelde arbeidsvoorwaarden wordt onderhandeld. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het op dit moment niet dringend noodzakelijk is de actie te verbieden. Het hof tekent daarbij aan dat dit oordeel is gebaseerd op een momentopname. Gelet op de aard van de actie, die – als gezegd – het door artikel 6 EVRM beschermde recht op ‘enforcement within a reasonable time’ van ‘judicial decisions’ raakt, is niet uitgesloten dat er een moment wordt bereikt waarop de hiervoor uitgevoerde proportionaliteitstoets anders uitvalt. Derden moeten erop kunnen vertrouwen dat gerechtelijke uitspraken binnen redelijke termijn ten uitvoer worden gelegd.