Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 maart 2013
ECLI:NL:RBZWB:2013:11034
Stichting Wonen en Psychiatrie Zeeuwse Gronden/werkneemster
Werkneemster is op 25 juni 2012 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij SWP in de functie van activiteitenbegeleider. Volgens SWP heeft werkneemster een aantal keer het elektronisch dossier van haar halfbroer ingekeken. Volgens SWP was dit niet geoorloofd omdat werkneemster geen professionele bemoeienis met haar halfbroer had en was zij bij e-mailbericht van 27 maart 2012 gewezen op de gevolgen van het ongeoorloofd inzien van de elektronische dossiers in het Care-4-programma. SWP verzoekt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op grond van een dringende reden, bestaande uit schending van de privacy van haar halfbroer, subsidiair op grond van verandering in de omstandigheden bestaande uit een vertrouwensbreuk waardoor er geen sprake meer kan zijn van verdere vruchtbare samenwerking tussen partijen (art. 7:685 (oud) BW). Gelet op de verwijten acht SWP toekenning van enige vergoeding niet aan de orde.
De kantonrechter overweegt dat het verzoek, gegrond op de in het verzoekschrift genoemde dringende redenen, niet toewijsbaar is. Het is terecht dat SWP grote waarde toekent aan de privacy van haar cliënten en dat overtreding van de regels door werknemers ernstige gevolgen voor hen kan hebben. Het moet dan echter wel duidelijk zijn wat die regels inhouden. Tussen partijen staat vast dat medewerkers die een directe behandel- of zorgrelatie hebben met een cliënt het elektronisch patiëntendossier mogen inzien. SWP heeft echter niet duidelijk gemaakt wanneer daarvan sprake is. In de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao is neergelegd dat de werkgever verplicht is het beleid bekend te maken ten aanzien van zorg-ethische kwesties, voor zover deze voor de functievervulling van de werknemer noodzakelijk zijn. SWP had op het moment dat haar halfbroer cliënt van SWP werd, werkneemster moeten wijzen op de gevolgen die dit zou kunnen hebben voor de manier waarop zij haar functie diende te vervullen indien zij met haar broer te maken kreeg in haar functie. Door dit na te laten kan werkneemster geen verwijt gemaakt worden over haar handelwijze, mede gelet op de omstandigheid dat SWP ter zitting heeft toegegeven dat werkneemster haar geheimhoudingsplicht jegens haar halfbroer niet heeft geschonden. Het verzoek wordt wel toegewezen vanwege een verstoorde verstandhouding. De kantonrechter acht het, gelet op de door SWP ter zitting ingenomen standpunten onwaarschijnlijk dat werkneemster nog de mogelijkheid wordt geboden de door haar bedongen arbeid te verrichten. Dat is echter een omstandigheid die slechts aan SWP moet worden toegerekend. Toekenning van de vergoeding zoals door werkneemster verzocht (€ 3.751,53 bruto), is dan ook op zijn plaats.