Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X Logistics BV
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 29 september 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:4035

werknemer/X Logistics BV

Stuiting verjaring kennelijk onredelijk ontslag: e-mail van advocaat werknemer aan verzekeraar van werkgever geldt als schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 BW.

De arbeidsovereenkomst is geƫindigd nadat X deze bij brief van 16 januari 2013 had opgezegd tegen 1 mei 2013, na daartoe verkregen toestemming van het CWI [Red.: UWV]. Bij exploot van 25 april 2014 heeft werknemer X in de onderhavige procedure gedagvaard en gevorderd voor recht te verklaren dat de beƫindiging van het dienstverband kennelijk onredelijk was. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering is verjaard.

Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat de verjaring van de vordering in ieder geval op 21 oktober 2013 is gestuit door een brief van de advocaat van werknemer aan X en dat er toen een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen van zes maanden, die eindigde op 21 april 2014. De inleidende dagvaarding in deze procedure is op 25 april 2014 uitgebracht. Op die datum was de vordering derhalve verjaard tenzij de verjaring na 25 oktober 2013 nogmaals was gestuit. Volgens werknemer is in de stuitingsbrief van 21 oktober 2013 een reactietermijn van twee weken opgenomen, waarmee de termijn van stuiting twee weken opschuift. Het hof verwerpt deze lezing. Artikel 3:317 Rv bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling, waarna er op grond van het bepaalde in artikel 3:319 Rv een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de volgende dag. De brief van 21 oktober 2013 is een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 Rv, waardoor op 22 oktober 2013 een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen. Een nieuwe verjaringstermijn gaat niet lopen op grond van het feit dat een schuldenaar een hem door de schuldeiser gegeven laatste termijn om zijn verplichtingen na te komen, ongebruikt laat verstrijken. Dat aflopen van die termijn kan immers niet worden aangemerkt als een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 BW. Er is dus geen nieuwe verjaringstermijn aangevangen op 5 november 2013.

Anders dan de kantonrechter heeft overwogen mag uit het feit dat de e-mail van de advocaat van werknemer (25 november 2013) aan de verzekeraar van X was gericht en dat X hiervan niet rechtstreeks van die advocaat een kopie heeft gekregen, niet de conclusie worden getrokken dat de desbetreffende mail niet als schriftelijke mededeling aan X in de zin van artikel 3:317 BW kan gelden. Uit de hiervoor geciteerde e-mailcorrespondentie van 25 november 2013 volgt dat X de (hiervoor ook geciteerde) brief van de advocaat van werknemer van 21 oktober 2013 ter beantwoording aan haar verzekeraar had toegezonden. Werknemer kon er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat die verzekeraar gemachtigd was correspondentie met betrekking tot de door werknemer gepretendeerde vordering, waaronder eventuele verdere stuitingsbrieven, in ontvangst te nemen.