Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 7 oktober 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:6241
werkneemster/werkgeefster
Werkneemster is op 1 juli 2013 bij werkgever in dienst is getreden in de functie van apothekersassistent. Per 1 juli 2015 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Op 13 juli 2015 is werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster verzoekt de kantonrechter te oordelen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd is met de wet onder toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW ad € 6.201,57, een transitievergoeding ex artikel 7:673 BW ad € 1.488 en een vergoeding vanwege een onregelmatige opzegging van een bedrag van € 2.067,19. Bij fax d.d. 29 september 2015 heeft werkneemster haar verzoek voorwaardelijk, voor zover de kantonrechter van oordeel is dat door het betalen van de verzochte bedragen niet meer kan worden toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het ontslag op staande voet, gewijzigd dan wel vermeerderd. Werkgeefster geeft aan dat zij de door werkneemster verzochte bedragen aan haar heeft betaald.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De gemachtigde van werkneemster heeft erkend dat zij de door haar verzochte bedragen van werkgeefster begin september 2015 heeft ontvangen. Het bevreemdt de kantonrechter dat de gemachtigde van werkneemster blijkens haar fax d.d. 29 september de vordering niet dienovereenkomstig heeft verminderd. De kantonrechter wijst dan ook, voor zoveel nodig, deze bedragen af. De kantonrechter wijst het oorspronkelijke verzoek van werkneemster toe en komt tot het oordeel dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet is. Van belang is dat werkneemster in het verzoekschrift expliciet aangeeft dat zij geen vernietiging van het ontslag op staande voet verzoekt, maar in plaats daarvan om toekenning van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW wegens het handelen van de werkgever in strijd met artikel 7:671 lid 1 onderdeel c jo. 7:677 lid 1 BW. Werkgeefster heeft met betaling van de door werkneemster verzochte bedragen onmiskenbaar, niet voor andere uitleg vatbaar, de grondslag van het verzoek, zoals geformuleerd in het inleidende verzoekschrift erkend. In rechte moet daarvan uit worden gegaan. Ter zitting heeft werkgeefster aangevoerd dat zij op advies van haar rechtsbijstandsverzekeraar de bedragen betrekking hebbend op zowel de billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 onderdeel a BW als de transitievergoeding ex artikel 7:673 BW en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging ten bedrage van € 2.067,19 aan werkneemster heeft uitbetaald. Van die betalingen, waarvan de verschuldigdheid niet is betwist door werkgeefster, heeft zij de gemachtigde van werkneemster mededeling gedaan. Werkgeefster ging ervan uit dat daarmee de ontslagkwestie met werkneemster geregeld was. Nu in rechte van de juistheid van de grondslag van het verzoek van werkneemster uitgegaan wordt komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of werkgeefster werkneemster op goede gronden ontslag op staande voet heeft gegeven dan wel dat dit ontslag onverwijld is gegeven, hetgeen door werkneemster op zowel formele als materiële gronden gemotiveerd wordt betwist. Ook hoeft de kantonrechter niet te beslissen naar aanleiding van het voorwaardelijke verzoek van werkneemster. Volstaan wordt met de vaststelling in rechte dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werkneemster in strijd met artikel 7:671 BW is.