Rechtspraak
werkneemster
Werkneemster is op 30 november 2009 in dienst getreden van AFS. Op of omstreeks 14 juli 2015 heeft AFS werkneemster op staande voet ontslagen. Bij verzoekschrift heeft werkneemster – kort gezegd – vernietiging van het ontslag op staande voet gevraagd en subsidiair een billijke vergoeding, alsmede de transitievergoeding. Tevens is betaling van loon gevraagd, met de wettelijke verhoging, alsmede rectificatie. Werkneemster heeft in vorenbedoelde hoofdzaak tegelijk met het verzoekschrift een provisionele vordering ingesteld. In deze voorlopige voorziening wordt toelating tot de bedongen arbeid gevraagd, alsmede doorbetaling van het loon en rectificatie van de ‘diffamerende mededelingen over het ontslag’. AFS heeft een voorwaardelijk zelfstandig verzoek ingediend. Werkneemster heeft een verzoek tot wraking ingediend tegen mr. P. Dondorp (kantonrechter). Zij stelt dat uit de feitelijke gang van zaken van de behandeling van de provisionele vordering is gebleken dat er geen enkel vertrouwen gesteld kan worden in een onpartijdig oordeel van de kantonrechter.
De rechtbank oordeelt als volgt. De klacht van werkneemster komt er feitelijk op neer dat zij vindt dat de kantonrechter door haar opstelling ter zitting heeft laten merken dat zij van oordeel is dat het – nog niet behandelde – ontbindingsverzoek voor toewijzing gereed ligt en dat de kantonrechter ook de stap naar de ernstige verwijtbaarheid van de werkgever niet zal maken. Werkneemster verwijt de kantonrechter tevens dat zij werkneemster onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om haar zaak te bepleiten en dat zij slechts een minnelijke regeling tussen partijen wenste na te streven. De wrakingskamer volgt werkneemster niet in haar standpunt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 augustus 2015 en het verweerschrift van de kantonrechter blijkt dat werkneemster een pleitnotitie heeft overgelegd en deze ook heeft voorgedragen. AFS heeft vervolgens mondeling (zonder pleitnotitie) haar standpunt naar voren gebracht. Partijen hebben nog diverse keren over en weer hun standpunten/reacties naar voren kunnen brengen, al dan niet naar aanleiding van de door de kantonrechter gestelde vragen. Zoals niet ongebruikelijk is heeft de kantonrechter partijen bevraagd of er ruimte is om de zaak onderling te regelen. In dat kader en op uitdrukkelijk verzoek van werkneemster heeft de kantonrechter een voorlopig oordeel gegeven over het door AFS aan werkneemster verleende ontslag op staande voet. Naar haar voorlopig oordeel zou het ontslag geen stand houden. Daarbij is de kanttekening gemaakt dat dit niet betekende dat de door werkneemster gevraagde voorlopige voorzieningen allemaal voor toewijzing in aanmerking zouden komen. Anders dan werkneemster stelt is op grond van het voorgaande de conclusie niet gerechtvaardigd dat werkneemster mag verwachten dat het nog niet behandelde ontbindingsverzoek voor toewijzing gereed ligt en dat de kantonrechter ook de stap naar de ernstige verwijtbaarheid van de werkgever niet zal maken. De kantonrechter heeft in haar verweerschrift ook expliciet aangegeven daar ‘daadwerkelijk nog geen oordeel’ over te hebben. Dat werkneemster, nadat de kantonrechter onderzocht heeft of partijen een regeling zouden kunnen treffen, niet een nieuwe spreektermijn is gegund, betekent evenmin dat er sprake is van enige vooringenomenheid aan de zijde van de kantonrechter. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat partijen voorafgaand aan de fase van ‘het minnelijke traject’, reeds uitvoerig in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten naar voren te brengen en ook hebben kunnen reageren op het standpunt van de wederpartij. Uit het proces-verbaal blijkt ook niet dat werkneemster nog om een spreektermijn gevraagd heeft en/of dat deze haar niet is gegund. Uit het proces-verbaal blijkt slechts dat van partijen het werkneemster is geweest die ter zitting als laatste het woord heeft gekregen. Ook als werkneemster zou worden gevolgd in haar standpunt dat de kantonrechter nog het oude arbeidsrecht (de geldende wetgeving van vóór 1 juli 2015) zou hebben toegepast – waar gelet op het verweerschrift overigens geen aanleiding toe is – betekent dit nog niet dat sprake is van enige vooringenomenheid jegens werkneemster. Het wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard.