Naar boven ↑

Rechtspraak

Gemeente Zwolle/arbeidscontractant
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 september 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:7327

Gemeente Zwolle/arbeidscontractant

Arbeidscontractant. Uit de aard van de werkzaamheden kan het niet structurele karakter voortvloeien dat een oproepovereenkomst kenmerkt.

Arbeidscontractant (hierna: werknemer) is op basis van een oproepovereenkomst (nulurencontract) werkzaam bij de gemeente, sectie Belastingen/Centrale Invordering in de functie van medewerker IV. Op de arbeidsverhouding tussen partijen is de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) van toepassing. In februari/maart 2014 heeft werknemer zijn rechtspositie aan de orde gesteld. Hij heeft het standpunt ingenomen dat zijn fulltime werk niet meer het karakter van een oproepcontract had en dat de gemeente niet zomaar kon beslissen om hem niet meer op te roepen. Het voorstel van de gemeente om hem een tijdelijke fulltime aanstelling tot 1 januari 2015 te geven, heeft werknemer verworpen omdat hij reeds voor onbepaalde tijd in dienst was. De gemeente heeft bij besluit van 26 november 2014 de oproep-arbeidsovereenkomst per 1 januari 2015 beëindigd op grond van artikel 8:8 CAR-UWO onder toekenning van een aanspraak op een wettelijke en boven- en nawettelijke werkloosheidsuitkering voor zover en zolang werknemer aan de daarbij behorende voorwaarden voldoet, met begeleiding van het gemeentelijke loopbaancentrum. De kantonrechter is van oordeel dat de gemeente niet heeft onderbouwd dat artikel 8:8 CAR-UWO, dat blijkens de tekst alleen van toepassing is op ambtenaren met een aanstelling, ook bij dit oproepcontract geldt. Omdat de kantonrechter voldoende waarschijnlijk acht dat in de bodemprocedure de vorderingen tot tewerkstelling en loondoorbetaling worden toegewezen, wijst de kantonrechter, gelet op artikel 2:5:2 CAR-UWO, die vorderingen toe, voor wat betreft het salaris voor minimaal 15 uur per maand, vermeerderd met 25% over het achterstallige salaris ex artikel 7:625 BW en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de strekkingsbepaling in artikel 1:1 lid 1 van bedoelde regeling volgt, dat onder ambtenaar in artikel 8:8 CAR-UWO ook verstaan moet worden de medewerker met een oproepcontract. Naar voorlopig oordeel van het hof miskent werknemer dat de werkzaamheden die hij voor de gemeente verrichtte – nadat besloten was dergelijke werkzaamheden vanaf 1 januari 2014 over te dragen aan het GBLT – naar hun aard en omvang niet meer structureel waren. Het ging immers om het afdoen van de slinkende hoeveelheid zaken van vóór 1 januari 2014 (door de gemeente aangeduid als ‘de klussenlijst’). De andere taken ter vervanging van de zieke collega betroffen wel structureel werk, maar de reden waarom werknemer die werkzaamheden mocht uitvoeren was gelegen in de tijdelijkheid van de vervanging wegens ziekte. Dat werknemer deze aflopende werkzaamheden gedurende 36 uur per week verrichtte, ontneemt aan de oproepovereenkomst niet het in artikel 2:5 lid 1 van de CAR-UWO bedoelde karakter. Datzelfde geldt voor de opmerking van werknemer dat nimmer een einddatum voor zijn werk is genoemd (hetgeen de gemeente overigens gemotiveerd heeft betwist) en dat nimmer een oproep voor een afgebakende periode heeft plaatsgehad. De overeenkomst is op juiste gronden opgezegd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de gemeente ten onrechte is veroordeeld tot tewerkstelling van werknemer na 1 januari 2015 en tot doorbetaling van zijn salaris over minimaal 15 uur per maand.