Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Stichting Kom Leren
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 5 oktober 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:8468

X/Stichting Kom Leren

Overkomst coördinatie tussenschoolse opvang wordt gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst.

Op 14 oktober 2014 hebben X en Y (directeur basisschool) een ‘Overeenkomst Coördinatie Tussenschoolse Opvang’ ondertekend. De overeenkomst vermeldt dat Y de bevoegde vertegenwoordiger is van ‘het bestuur van de school, Stichting kom Leren gevestigd te Maastricht’. Op grond van voornoemde overeenkomst heeft X met ingang van 25 augustus 2014 als coördinator van de vrijwilligers van de tussenschoolse opvang werkzaamheden verricht voor de basisschool (althans de stichting) gedurende (ten minste) 16 uur per week. In maart 2015 is aan X medegedeeld dat zij per direct haar werkzaamheden als coördinator dient neer te leggen. Bij e-mailbericht van 24 juli 2015 deelt Y mede dat de in februari 2015 opgelegde beperkingen zullen worden gehandhaafd. Redengevend voor die conclusie was het advies van de behandelend psycholoog van leerling A dat (kort gezegd) de situatie van A niet was verbeterd en dat de aanwezigheid/nabijheid van X van invloed is op het gedrag en welbevinden van A. Bij brief van 24 juli 2015 heeft Y de overeenkomst met X opgezegd per 1 augustus 2015 met inachtneming van de in de overeenkomst vermelde opzegtermijn van twee maanden. Tussen partijen is in geschil of X werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst. X stelt van wel en voert aan dat voor opzegging van de arbeidsovereenkomst toestemming gevraagd had moeten worden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Strikt genomen kan thans de vraag of een arbeidsovereenkomst is overeengekomen niet worden beantwoord, omdat in kort geding geen declaratoir vonnis gewezen kan worden. Wel kan in deze procedure geanticipeerd worden op de mogelijke uitkomst van een eventueel door X te entameren bodemprocedure met als inzet de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. De tussen partijen gesloten schriftelijke overeenkomst bepaalt: ‘Bekostiging vindt plaats op freelancebasis’. Ook valt op dat nergens in de overeenkomst wordt gerept van ‘werkgever’ of ‘werknemer’. Op grond van de tekst van de tussen partijen gesloten overeenkomst lijkt het erop dat partijen de bedoeling hebben gehad een overeenkomst van opdracht te sluiten. Ter zitting is evenwel gebleken dat partijen voor deze formuleringen hebben gekozen louter om ‘belastingtechnische redenen’. Anders dan de stichting (wellicht) heeft beoogd te stellen volgt uit de tekst van de overeenkomst derhalve niet, althans niet zonder meer, dat het de bedoeling van partijen was dat X haar werkzaamheden op grond van een overeenkomst van opdracht zou verrichten. De kantonrechter stelt vast dat X ook tijdens vakanties recht had op loon voor de overeengekomen 16 uur per week. Een dergelijke constructie past veel meer bij een arbeidsovereenkomst. Ook het gegeven dat X gedurende vaste tijden de werkzaamheden persoonlijk dient te verrichten duidt veeleer op het bestaan van een arbeidsovereenkomst dan op een overeenkomst van opdracht. Voorts blijkt uit de feiten genoegzaam dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen Y en X. In eerste instantie heeft Y X volledig op non-actief gesteld en later heeft hij haar opgedragen de overeengekomen werkzaamheden beperkt uit te voeren, althans heeft hij geweigerd om aan het verzoek van X om de beperkingen op te heffen tegemoet te komen. Dergelijke maatregelen gaan veel verder dan de instructies die een opdrachtgever in het kader van een overeenkomst van opdracht aan de opdrachtnemer placht te kunnen geven. Omdat de stichting dat niet heeft betwist staat voorts vast dat X wat betreft haar inkomsten afhankelijk is van de maandelijkse betalingen van de stichting omdat X alleen voor de stichting werkzaamheden verricht. Ook dit gegeven, waaruit blijkt dat X economisch afhankelijk is van de stichting, is een argument dat veeleer pleit voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst dan van een overeenkomst van opdracht. Op grond van deze overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat naar alle waarschijnlijkheid in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen X en de stichting. Ten aanzien van de loonvordering wordt de stichting veroordeeld tot betaling van voorschotten. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat het niet-toelaten van X in het belang van A is. De gevorderde wedertewerkstelling wordt toegewezen.