Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 23 oktober 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:7559
werknemer/werkgeefster
Werknemer is op 1 februari 2015 voor de duur van zes maanden in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst wordt niet verlengd. Ten aanzien van de afwikkeling van het dienstverband zijn diverse geschilpunten gerezen. Werknemer vordert onder meer betaling van overuren, achterstallig loon, betaling van de aanzegvergoeding en vernietiging van het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster stelt zich op het standpunt dat de vordering van werknemer ten aanzien van de overuren en de daarover berekende vakantietoeslag afgewezen dient te worden, nu met werknemer een all-invergoeding afgesproken is van € 300 netto per maand voor het overwerk in de eerste maanden na opening van het restaurant. Werknemer heeft die afspraak gemotiveerd betwist en vooralsnog blijkt die afspraak niet uit de door werkgeefster overgelegde stukken, zodat het aan werkgeefster is om die afspraak te bewijzen. Slaagt zij daarin, dan dient dit onderdeel van de vordering afgewezen te worden, gezien de bedragen die aan hem zijn betaald in de eerste maanden na de opening van het restaurant. Slaagt werkgeefster niet in die bewijsopdracht, dan moet beoordeeld worden welke bedragen werknemer eventueel ten aanzien van dit onderdeel tegoed heeft en in dat verband wordt het volgende overwogen. Werknemer legt ter onderbouwing over een aantal destijds door hemzelf bijgehouden handgeschreven urenoverzichten en een aan de hand van die overzichten nadien opgemaakt Excel-overzicht. Uit zijn eigen handgeschreven overzicht blijkt dat hij over de maand februari 2015 21,1 extra uren heeft gewerkt, over maart 80,3 extra uren, over april 86 extra uren, over mei 25 extra uren en over juni 33 extra uren. In totaal 245,4 extra overuren. Het aantal overwerkuren in het Excel-overzicht, op welk overzicht werknemer zijn vordering grondt, wijkt in aanzienlijke mate af van het aantal overwerkuren in de door werknemer zelf destijds bijgehouden urenoverzichten. Dit bevreemdt nu het Excel-overzicht gebaseerd is op de handgeschreven urenoverzichten. Een verklaring voor dit aanzienlijk afwijkend aantal uren is door werknemer niet dan wel onvoldoende gegeven, zodat uitgegaan moet worden van de 245,4 overuren. Niet duidelijk is of uitgaande van de 245,4 uur en de betaling van € 1.125 netto werknemer nog aanspraak heeft op een extra vergoeding. Voor het geval dat werkgeefster niet slaagt in de hiervoor bedoelde bewijsopdracht, zal de kantonrechter werknemer reeds nu de gelegenheid bieden om zich daarover uit te laten, waarbij het op zijn weg ligt om een deugdelijke berekening van een en ander in het geding te brengen. Vervolgens zal de kantonrechter werkgeefster in de gelegenheid stellen om zich daarover schriftelijk uit te laten.
Vast staat dat werkgeefster de (schriftelijke) aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen. Zij is aan werknemer de vergoeding van één maandsalaris als bedoeld in artikel 7:668 lid 3 BW verschuldigd, zodat in de te zijner tijd te wijzen eindbeschikking het bedrag van € 1.507,80 bruto toegewezen zal worden, welk bedrag werkgeefster cijfermatig niet heeft weersproken. Werkgeefster heeft erkend dat het in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opgenomen concurrentiebeding nietig is, aangezien de schriftelijke motivering ontbreekt, waaruit blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. De kantonrechter zal in de te zijner tijd te wijzen eindbeschikking voor recht verklaren dat het concurrentiebeding nietig is.