Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/ABN AMRO Bank N.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 juni 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2209

werknemer/ABN AMRO Bank N.V.

Pensioenontslagbeding blijft effect sorteren op arbeidsovereenkomst die door het dynamisch incorporatiebeding een verhoogde pensioenleeftijd kent.

Werknemer is op 1 januari 2006 in dienst getreden van ABN Amro in de functie van beleggingsadviseur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst, gedateerd 3 januari 2006, is onder meer bepaald: ‘Het dienstverband zal uiterlijk eindigen op de dag voorafgaand aan de pensioendatum, zoals die voor de medewerker op basis van artikel 19 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds van de ABN AMRO Bank N.V. is vastgesteld dan wel volgens artikel 21 van dat reglement is gesteld.’ Artikel 19 van het Pensioenreglement 2000 (hierna: PR 2000) bepaalt dat een deelnemer het Pensioenfonds kan verzoeken de pensioendatum te vervroegen of uit te stellen. Dat verzoek wordt ingewilligd mits de deelnemer zijn voornemen tot uitstel ten minste zes maanden vóór de pensioenrichtdatum aan de werkgever heeft voorgelegd en deze daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. In de PR 2000 was de pensioenleeftijd 62 jaar. Dit is in 2006 65 jaar geworden. Werknemer heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet in verband met het bereiken door werknemer van de 65-jarige leeftijd in of omstreeks november 2011 van rechtswege is geëindigd, met veroordeling van ABN Amro in de proceskosten. Hij heeft daartoe, kort gezegd, het volgende gesteld. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bevat geen einddatum en is voor onbepaalde tijd aangegaan. Deze overeenkomst kan slechts door opzegging eindigen. Opzegging heeft niet plaatsgevonden, zodat de arbeidsovereenkomst nog altijd voortduurt. Het pensioenbeding bevat een onduidelijke, nog te bepalen pensioendatum die geldt in de relatie tussen het Pensioenfonds en ABN Amro, waarbij werknemer geen partij is. Bovendien staat de einddatum niet vast omdat deze ook nog tot na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar kan worden verschoven. Bij het aangaan van de overeenkomst heeft werknemer niet kunnen of moeten begrijpen dat de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar een einde zou nemen.

Het hof oordeelt als volgt. Voor zover werknemer heeft betoogd dat hij ten tijde van zijn indiensttreding niet met de inhoud van het PR 2006 bekend was, en met name niet bekend was met het feit dat de pensioenleeftijd was verhoogd van 62 naar 65 jaar, verwerpt het hof dit betoog, omdat het PR 2006 - waarin die verhoogde pensioenleeftijd was vervat - op zijn arbeidsovereenkomst met ABN Amro van toepassing was, zodat het voor zijn rekening komt als hij daarvan destijds niet zelf kennis heeft genomen. Werknemer heeft ten slotte betoogd dat in dit geval sprake is van verboden leeftijdsdiscriminatie omdat een objectieve rechtvaardiging ontbreekt voor het (kennelijke) standpunt van ABN Amro dat de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd moet eindigen. Dit brengt volgens werknemer nietigheid van het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst tussen hem en ABN Amro mee. Het hof overweegt dienaangaande dat artikel 7 lid 1 aanhef en onderdeel b van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid onder meer bepaalt dat een verbod van onderscheid niet geldt indien het onderscheid betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding in verband met het bereiken van de leeftijd waarop een recht op AOW-pensioen ontstaat, wat voor werknemer 1 november 2011 was. Dit was de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen hem en ABN Amro van rechtswege eindigde, zodat geen sprake kan zijn van verboden leeftijdsdiscriminatie. Dat, zoals werknemer heeft gesteld, van vervroeging of uitstel van de pensioendatum sprake had kunnen zijn, maakt dit niet anders.