Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland, 22 oktober 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:9222
Stichting Epilepsie Instellingen Nederland/werknemer
Werknemer is op 6 juli 1998 in dienst getreden. Laatstelijk is hij werkzaam als activiteitenbegeleider. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Aan dit verzoek legt werkgeefster ten grondslag dat sprake is van verwijtbaar handelen van werknemer, subsidiair van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van werkgeefster redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft de werkgeefster naar voren gebracht dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend seksueel gedrag. Daarnaast heeft werknemer twee waarschuwingen gekregen. Het valt daarbij op dat het werknemer ontbreekt aan enige zelfreflectie. De kans op herhaling van dit soort gedrag blijft bestaan en van de werkgeefster kan niet worden gevergd dat zij de arbeidsverhouding met werknemer laat bestaan, omdat zij verantwoordelijk is voor een veilige werkomgeving voor alle medewerkers. Het verweer van werknemer strekt tot afwijzing van het verzoek. Hij ontkent de geuite beschuldigingen van ongewenst fysiek (seksueel) en intimiderend gedrag.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de thans voorhanden stukken is niet voldoende duidelijk geworden dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel ontoelaatbaar gedrag jegens medewerkers van de werkgeefster. Tegenover de betwisting door werknemer staat een verklaring van medewerker X waarin hij verslag doet van een gesprek met de medewerksters. Het gaat hier evenwel niet om een verklaring door de medewerksters zelf opgesteld. Daarbij is van belang dat werknemer de verklaring destijds ook niet onder ogen heeft gekregen maar pas kort voor de zitting. In zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (WWZ), zoals deze zaak, is het bewijsrecht in beginsel van toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In de onderhavige zaak ziet de kantonrechter geen aanleiding het bewijsrecht buiten toepassing te laten. Dat brengt mee dat zij de werkgeefster, op wie de bewijslast rust, en overeenkomstig haar uitdrukkelijke bewijsaanbod, zal toelaten tot het bewijs van ontoelaatbaar seksueel gedrag jegens de medewerksters door werknemer. De kantonrechter merkt daarbij op dat verklaringen van horen zeggen niet voldoende zijn om het gevraagde bewijs te leveren.