Naar boven ↑

Rechtspraak

Teico Service B.V./werkneemster
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 oktober 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:7281

Teico Service B.V./werkneemster

Afwijzing verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst zieke werkneemster. Aangeboden arbeid bleek niet passend. Onvoldoende onderbouwd dat wijze van communicatie door werkneemster over re-integratie (hoewel zij op dit punt tekortschiet) tot een verstoorde arbeidsrelatie heeft geleid.

Werkneemster is in dienst van Teico als medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. Zij is sinds 14 april 2014 arbeidsongeschikt. Teico verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a jo. artikel 7:669 lid 3, primair onderdeel e en subsidiair onderdeel g BW. Daartoe heeft Teico gesteld dat werkneemster hardnekkig weigert een start te maken met haar re-integratie, hoewel zij beschikt over benutbare mogelijkheden. De subsidiair aangevoerde verstoorde arbeidsverhouding bestaat hierin, dat naast het hiervoor vermelde, werkneemster niet bereid is om op redelijke wijze te communiceren over het re-integratietraject, aldus Teico. Het verweer van werkneemster strekt tot afwijzing van het verzoek.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat werkneemster ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte. De vraag is of dit opzegverbod in de weg staat aan de verzochte ontbinding gezien artikel 7:671b lid 6 BW, meer in het bijzonder of het verzoek een verband houdt met de ziekte van werkneemster. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Door het deskundigenoordeel d.d. 28 juli 2015 is met terugwerkende kracht vastgesteld dat de door Teico op 27 maart 2015 aangeboden arbeid niet passend was/is. Gelet hierop kan werkneemster niet worden verweten dat zij toentertijd en de daarna volgende periode niet is begonnen met de aangepaste taken, zoals aangeboden door Teico. Op verzoek van Teico is op 16 september 2015 opnieuw een deskundigenoordeel gegeven. Daarin is geconcludeerd dat werkneemster niet voldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat werkneemster verwijtbaar heeft gehandeld door geen medische machtiging van de bedrijfsarts te ondertekenen. Ter zitting is gebleken dat zij de betreffende medische machtiging inmiddels heeft ondertekend. Het verwijtbaar handelen door werkneemster is niet komen vast te staan. Aan Teico kan worden toegegeven dat de wijze van communiceren van werkneemster over haar arbeidsongeschiktheid en de in dat kader beoogde re-integratie verbetering behoeft. Uit het bepaalde in artikel 7:629 lid 6 BW volgt dat werkneemster zich dient te houden aan redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die Teico als werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen. Daartoe behoort dat werkneemster reageert op verzoeken van Teico om contact op te nemen en niet slechts via haar zoon communiceert over haar arbeidsongeschiktheid, alsmede dat werkneemster meewerkt aan het verzamelen van medische informatie. Aannemelijk is geworden dat werkneemster op deze punten tekortschiet. Deze constatering is evenwel onvoldoende zwaarwegend om te oordelen dat sprake is van verwijtbaar handelen, zodanig dat van Teico niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De subsidiair aangevoerde verstoorde arbeidsverhouding kan ook niet slagen. Dat werkneemster in een gesprek begin april heeft aangegeven dat zij nog niet kon starten met de re-integratie kan, zo bleek hiervoor al, haar niet worden verweten. De stelling dat werkneemster niet bereid is om op redelijke wijze te communiceren over het re-integratietraject is onvoldoende onderbouwd om te oordelen dat sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding, zodanig dat van Teico niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek.