Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 27 oktober 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4343
werknemer/Scania Nederland B.V.
Werknemer is van 15 juni 2003 tot 30 april 2008 in dienst geweest van Scania. Op 20 augustus 2005 heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden, waarna werknemer zich - in september - ziek heeft gemeld. In 2007 bericht de gemachtigde van werknemer dat hij werknemer heeft geadviseerd Scania aansprakelijk te stellen. Scania heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. Op 22 maart 2010 stuurt werknemer een concept-dagvaarding. In voetnoot 2 staat opgenomen: Indien onverhoopt geen regeling tot stand komt dan wel geen bereidheid bestaat tot minnelijk overleg, blijft er immers voor cliënt helaas geen andere weg open dan zijn ex-werkgever in rechte te betrekken. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter met betrekking tot de verjaring overwogen dat de verjaringstermijn is aangevangen op 20 augustus 2005. Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat de voetnoot in de brief van 22 maart 2010 niet kan worden aangemerkt als een voldoende duidelijke waarschuwing dat Scania, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening zou moeten houden met een mogelijke vordering, zodat de verjaringstermijn door middel van die brief niet is gestuit en de vordering van werknemer dus is verjaard. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. In het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2741), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis onder meer kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (vgl. ook HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418). Bij de beoordeling of de mededeling aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 18 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8502). Bij deze beoordeling kan onder omstandigheden mede betekenis toekomen aan de verdere correspondentie van partijen (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7063). Het hof is met de kantonrechter en Scania van oordeel dat in het midden kan blijven of de brief van 6 september 2007 de verjaring al dan niet heeft gestuit. Immers, indien veronderstellenderwijs ervan uit wordt gegaan dat die brief de verjaring inderdaad heeft gestuit en dat op dat moment een nieuwe termijn van vijf jaar is gaan lopen, dan zou de verjaring alsdan zijn voltooid op 6 september 2012. Van belang is daarom of de brief van 22 maart 2010 de verjaringstermijn heeft gestuit. Als dat zo is dan is de verjaringstermijn, die op 23 maart 2010 is gaan lopen, tijdig gestuit door het exploot van dagvaarding van 15 april 2014. Het hof is van oordeel dat de brief van 22 maart 2010 een voldoende duidelijke waarschuwing aan Scania inhield dat zij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moest houden dat zij de beschikking hield over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door werknemer ingestelde vordering behoorlijk zou kunnen verweren. Zo de brief van 22 maart 2010 al onduidelijk was, dan is uit de nadien gevoerde correspondentie gebleken dat de gemachtigde van Scania de brief wel zodanig heeft opgevat dat werknemer Scania nog steeds in rechte wilde betrekken. Derhalve heeft tijdige stuiting plaatsgevonden.