Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 5 november 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:5116

werknemer/werkgeefster

Werknemer ontkent brief, waarin wordt gemeld dat arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd, te hebben ontvangen. Werkgeefster dient te bewijzen dat daadwerkelijk en tijdig is aangezegd.

Werknemer is op 13 januari 2015 in dienst getreden bij werkgeefster. De laatste functie die werknemer vervulde, is die van Adviseur Hypotheken. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 13 juli 2015. Werknemer verzoekt werkgeefster te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.300 bruto, wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onderdeel a BW. Werkgeefster heeft een aan de werknemer geadresseerde brief d.d. 8 juni 2015 in het geding gebracht, waarin aan werknemer wordt gemeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. Werknemer ontkent deze brief te hebben ontvangen.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voorop gesteld wordt dat de wet nadrukkelijk verlangt dat de werkgever de werknemer schriftelijk informeert (Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 79). Werknemer heeft gemotiveerd betwist dat werkgeefster heeft voldaan aan de wettelijk vastgestelde schriftelijke aanzegverplichting. In de wetsgeschiedenis van artikel 7:668 BW is ten aanzien van de bewijslastverdeling het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, p. 36 (NV II)): ‘Ten aanzien van de bewijslast (verdeling) geldt het volgende. Aangezien de werknemer zich zal moeten beroepen op het niet (tijdig) aangezegd zijn, zal hij dit wel eerst moeten stellen. Vervolgens zal de werkgever, aangezien op hem de plicht rust om aan te zeggen, moeten bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk en tijdig gedaan heeft. Aangezien de aanzegging schriftelijk dient plaats te vinden, doet een werkgever er wijs aan om de aanzegging aangetekend te versturen.’Als uitgangspunt voor de schriftelijke aanzegverplichting van artikel 7:668 lid 1 BW heeft de ontvangsttheorie van artikel 3:37 lid 3 BW te gelden. Deze theorie impliceert dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring enkel werking heeft wanneer vaststaat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. In deze zaak staat vast dat de onderhavige brief niet per aangetekende post is verzonden en dat deze brief niet ‘voor gezien’ door werknemer is ondertekend. Nu hierboven reeds is vastgesteld dat op werkgeefster de bewijslast rust van haar stelling dat de brief van 8 juni 2015 werknemer tijdig heeft bereikt, zal werkgeefster conform haar bewijsaanbod worden toegelaten tot het leveren van bewijs. Volgt aanhouding van de zaak.