Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 2 november 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:9234
werkneemster/Stichting Zuyderland Medisch Centrum
Werkneemster is sedert 1 april 1988 in dienst van (de rechtsvoorganger van) Zuyderland. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Ziekenhuizen van toepassing. Van 1 april 2000 tot 24 augustus 2011 werkte werkneemster als echoscopiste op de afdeling obstetrie en gynaecologie. Op 23 augustus 2011 is werkneemster ontheven uit haar functie ‘in verband met recent vier gemiste hartafwijkingen en andere redenen’. Vanaf 12 januari 2012 is zij werkzaam op de afdeling Endoscopie en vanaf 19 augustus 2013 op de afdeling Acute Opname Afdeling (hierna: AOA). Op 27 februari 2014 ziet Zuyderland zich genoodzaakt het inwerktraject op de AOA per direct te beëindigen. Werkneemster is sedert 1 maart 2014 arbeidsongeschikt. Werkneemster vordert wedertewerkstelling als echoscopiste zodra zij daartoe medisch geschikt wordt bevonden en rehabilitatie middels publicatie van een bericht via intranet en het personeelsblad.
Nu ter zitting geen andere omstandigheden zijn aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat de gestelde omstandigheden niet van dien aard zijn dat op dit moment sprake is van een situatie die zodanig acuut of ernstig is, dat van werkneemster niet gevergd kan worden de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Werkneemster oefent immers de functie van echoscopiste al niet meer uit sinds 24 augustus 2011. De vraag die beantwoord moet worden - ook gezien het verweer van Zuyderland - is of er (nog) sprake is van een schorsing, gezien alleen al het tijdsverloop en de wijze waarop partijen nadien met elkaar zijn omgegaan. Waar werkneemster er voorts voor gekozen heeft om eerst in oktober 2015 - ruim vier jaar nadat zij uit haar functie als echoscopiste is ontheven - de ontheffing aan te vechten, kan niet gezegd worden dat zij voldoende spoedeisend belang heeft bij de wedertewerkstelling en opheffing van de gestelde schorsing. In ieder geval is dit belang van werkneemster in gewicht afgenomen naar mate de tijd na de ontheffing uit haar functie verder is verstreken. Evenmin heeft werkneemster aanleiding gezien om na de beëindiging van het inwerktraject op de AOA op 27 februari 2014 een dergelijke vordering in te stellen. Er is ook geen spoedeisend belang ten aanzien van de gevorderde rectificatie. Verder is tussen partijen in geschil of Zuyderland gehouden is aan werkneemster het volledige loon door te betalen gedurende het tweede ziektejaar (vanaf 28 februari 2015). Niet gebleken is dat in de arbeidsovereenkomst en/of cao een bepaling is opgenomen tot aanvulling van het loon - tot 100% - gedurende het tweede ziektejaar, zodat overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:629 BW een korting op het loon is toegepast en 70% wordt betaald. Volgt afwijzing van de vorderingen.