Naar boven ↑

Rechtspraak

UWV/bestuurder van werkgever
Hoge Raad, 6 november 2015
ECLI:NL:HR:2015:3234

UWV/bestuurder van werkgever

Bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde werkgeverspremies. Misleiding door verpanding reeds afgewezen vordering.

UWV heeft sinds 2002 een vordering op X B.V. (hierna: X) wegens ten onrechte niet afgedragen werkgeverspremies. Deze vordering is in de periode tot en met 2004 opgelopen tot een bedrag van € 160.708,59. Werkgever heeft hierop gereageerd met de stelling dat zij op de rand van faillissement stond en dat het enige mogelijke actief een vordering van € 2 miljoen was op bedrijf B. Werkgever heeft via haar bestuurder UWV een pandakte gegeven op deze vordering ter hoogte van de verschuldigde premies. Deze akte is in januari 2008 overeengekomen. De vordering op B was evenwel reeds bij vonnis van november 2007 afgewezen. Bedrijf C, waarvan bestuurder eveneens bestuurder was, heeft bij vonnis van de rechtbank wel een vergoeding gekregen. Het UWV spreekt in deze procedure de bestuurder in persoon aan. Daartoe voert UWV aan dat de pandakte onjuist en misleidend was, omdat ten tijde van de ondertekening daarvan de desbetreffende vordering reeds door de Rechtbank Breda was afgewezen. Indien UWV zou hebben geweten dat die vordering reeds was afgewezen, zou het bestuurder persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld op de voet van het destijds geldende artikel 16d Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV). Dat zou hebben geleid tot inning door UWV van het bedrag van € 100.000 dat bestuurder als uitvloeisel van de procedure van C tegen B heeft ontvangen. Inmiddels is aansprakelijkstelling van bestuurder op de voet van artikel 16d CSV niet meer mogelijk. Bestuurder heeft door misleiding UWV een verhaalsmogelijkheid ontnomen, waarvan hem als bestuurder van X persoonlijk een ernstig verwijt treft. Rechtbank en hof hebben de vordering afgewezen, met name omdat het causaal verband tussen de misleiding en de ‘schade’ ontbrak. UWV had onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij anders over was gegaan op aansprakelijkstelling in persoon.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Het onderdeel wijst erop dat UWV ten aanzien van het causaal verband tussen de misleiding en de schade, in feitelijke instanties onder meer, samengevat, het volgende heeft aangevoerd: (1) persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurders op de voet van artikel 16d CSV was (destijds) het zwaarste middel dat UWV in geval van wanbetaling van (voorschot)premies ten dienste stond; (2) dienovereenkomstig was het beleid van UWV met betrekking tot persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurders (aansprakelijkstelling op de voet van art. 16d CSV) bewust terughoudend, in die zin dat niet tot persoonlijke aansprakelijkstelling werd overgegaan zolang nog enig redelijk alternatief voor die maatregel bestond; (3) verpanding van de door X gepretendeerde vordering werd als redelijk alternatief beschouwd, nu de advocaat van X had medegedeeld een ‘redelijke verwachting’ te hebben omtrent toewijzing van die vordering, die in totaal € 2.000.000 beliep, hetgeen afgezet tegen de omvang van de premieschulden van X ten bedrage van € 160.708,59 als voldoende zekerheid werd beschouwd; (4) UWV heeft dan ook (conform zijn terughoudende beleid) afgezien van persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurder op de voet van artikel 16d CSV, juist vanwege de door bestuurder gepleegde misleiding, namelijk in de door bestuurder gewekte (achteraf onjuist gebleken) veronderstelling dat de verpande vordering een reële waarde vertegenwoordigde; (5) het was juist bestuurder, die (samen met de advocaat van X) bij UWV erop aandrong af te zien van verdere rechtsmaatregelen ter incasso van de premieschulden; (6) UWV zou dus wél tot persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurder op de voet van artikel 16d CSV zijn overgegaan, bij wijze van ‘ultimum remedium’ en als enig middel dat UWV nog ter beschikking stond, indien UWV tijdig had geweten van de ongegrondheid van de vordering (dus bij gebreke van de door bestuurder gepleegde misleiding); (7) in dat kader zou (bovendien) zijn overgegaan tot beslaglegging op vermogensbestanddelen van bestuurder, waaronder zijn aandelen in C. In het licht van deze stellingen is het oordeel van het hof onbegrijpelijk. De klacht slaagt dus.