Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 november 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:4511
werknemers/Stichting Pensioenfonds UWV
Werknemers zijn vanaf 1 april 2002 in dienst (geweest) van UWV. Op hun respectieve arbeidsovereenkomsten was/is de collectieve arbeidsovereenkomst UWV van toepassing (hierna: de cao). Vóór 1 april 2002 waren werknemers in dienst bij Uitvoeringsinstelling USZO, een rechtsvoorgangster van UWV. Bij USZO gold voor werknemers bij een fulltime dienstverband een werkweek van 36 uur. Bij UWV hebben zij aanvankelijk op basis van een fulltime dienstverband ook 36 uur per week gewerkt en werk(t)en zij vanaf 1 januari 2003 38 uur per week, de arbeidstijd die vanaf 1 januari 2003 ingevolge de cao bij een fulltime dienstverband geldt. Hun salaris is met ingang van 1 januari 2003 dienovereenkomstig verhoogd in die zin dat zij vanaf die datum 38/36 van het salaris van vóór 1 januari 2003 ontvingen. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of en hoe de uitbreiding van de arbeidsduur van werknemers en de verhoging van het salaris, die daarvan het gevolg is geweest, moet worden verwerkt in de pensioenopbouw van werknemers tot 1 januari 2003. De voor werknemers vanaf 1 april 2002 geldende pensioenregeling was aanvankelijk vastgelegd in het pensioenreglement GAK en ligt sinds 1 januari 2004 vast in het reglement van Pensioenfonds. Tot 1 april 2002 zijn werknemers deelnemer geweest in Pensioenfonds ABP. In 2004 heeft een waardeoverdracht plaatsgevonden van de tot 1 april 2002 bij het pensioenfonds ABP opgebouwde pensioenaanspraken aan Pensioenfonds. Pensioenfonds heeft voor de tijd dat werknemers vóór 1 januari 2003 deelnemers waren en 36 uur werkten, bij de berekening van het aantal deelnemingsjaren van werknemers een parttimepercentage toegepast van 36/38 (0,9474) en is bij de vaststelling van de pensioengrondslag vanaf 1 januari 2003 uitgegaan van het salaris dat voor werknemers gold bij een 38-urige werkweek. Werknemers vorderen Pensioenfonds te veroordelen om over te gaan tot het corrigeren van hun pensioenrechten over hun hele deelnemingsperiode zonder toepassing van een parttimepercentage. Werknemers stellen dat een verhoging van salaris - zoals ten aanzien van hen heeft plaatsgevonden per 1 januari 2003 - moet leiden tot een verhoging van de pensioengrondslag omdat noch in het pensioenreglement GAK noch in het reglement van Pensioenfonds voor de berekening van de pensioengrondslag een onderscheid gemaakt wordt tussen de mogelijke aanleidingen voor een salarisverhoging. Uitgangspunt is, zo voeren zij aan, dat iedere salarisverhoging leidt tot aanpassing van de pensioengrondslag over de gehele deelnemingsperiode.
Het hof oordeelt als volgt. In het geval van een eindloonregeling worden de pensioenaanspraken over de gehele deelnemingsperiode in beginsel berekend op basis van de laatstelijk (over het jaar waarin de pensionering plaatsvindt) vastgestelde pensioengrondslag. Deze regel kent twee uitzonderingen. De eerste uitzondering doet zich voor in het geval dat een werknemer minder werkt dan het normale aantal uren van een fulltime aanstelling per week (dus parttime). In dat geval bouwt de deelnemer op grond van het bepaalde in artikel 4.1 lid 1 van het reglement pensioen op overeenkomstig het aantal uren dat hij feitelijk werkt (door een correctie toe te passen op het aantal deelnemingsjaren). De tweede uitzondering doet zich voor ‘bij iedere wijziging in de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur of van de normale wekelijkse arbeidsduur’, in welk geval op grond van lid 2 van artikel 1.4 het eerste lid van dat artikel van ‘overeenkomstige’ toepassing is. Laatstbedoelde uitzondering is hier aan de orde. Met ingang van 1 januari 2003 is de normale wekelijkse arbeidsduur van werknemers gewijzigd (van 36 naar 38 uur per week) en dat betekent dat (op grond van de leden 1 en 2 van art. 1.4 van het reglement) een parttimebreuk moet worden vastgesteld. Anders dan werknemers hebben betoogd kan het niet de bedoeling van de verwijzing in lid 2 naar lid 1 zijn dat de teller en noemer van de breuk vervolgens op hetzelfde getal worden vastgesteld (36/36 vóór 1 januari 2003 en 38/38 na 1 januari 2003, in welk geval er immers geen sprake meer is van een breuk). In lid 2 van artikel 4.1 is niet bepaald dat in de in lid 2 genoemde gevallen de regeling van lid 1 toepassing vindt, maar dat die regeling ‘van overeenkomstige toepassing’ is. Overeenkomstige toepassing leidt bij wijziging van de normale wekelijkse arbeidsduur van 36 naar 38 uur per week tot de vaststelling van een breuk waarvan de teller gelijk is aan de ‘oude’ normale arbeidsduur en de noemer aan de nieuwe ‘normale’ arbeidsduur, derhalve 36/38, zoals Pensioenfonds ook heeft gedaan. Anders dan werknemers nog hebben gesteld volgt uit artikel 1.4 van het reglement niet dat de daarin neergelegde regeling alleen voor parttimers geldt. Bepaald is immers in lid 2 dat de in het eerste lid van dat artikel opgenomen regeling voor parttimers geldt bij iedere wijziging van de overeengekomen of normale arbeidsduur, derhalve ook als die wijziging betrekking heeft op deelnemers die fulltime werkten en fulltime blijven werken maar van wie het aantal arbeidsuren in opwaartse zin wijzigt. De door werknemers voorgestane interpretatie van de diverse bepalingen van het reglement, leidt, anders dan zij betogen, ook niet tot een meer aannemelijk rechtsgevolg dan de uitleg die Pensioenfonds aan de bepalingen geeft. De consequentie van de uitleg van werknemers zou immers zijn dat zij over hun hele deelnemingstijd pensioenrechten krijgen alsof zij - in strijd met de werkelijkheid - ook vóór 1 januari 2003 38 uur per week hebben gewerkt (en het bijbehorende salaris hebben verdiend en overeenkomstig pensioenrechten hebben opgebouwd).