Rechtspraak
Werkster is in 1988 op grond van een mondelinge arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij de Britse ambassade (hierna: de ambassade). Zij verrichtte iedere werkdag ’s ochtends enkele uren schoonmaakwerkzaamheden in het gebouw van de ambassade in Den Haag. Vanwege een reorganisatie bij de ambassade heeft werkster zich op 17 januari 2001 als eenmanszaak ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de naam HI X Interieurverzorging. Zij is vanuit HI schoonmaakwerkzaamheden blijven verrichten voor de ambassade, al dan niet persoonlijk. Zij verstuurde daarvoor aan de ambassade maandelijks facturen, die de ambassade aan haar voldeed. Op deze facturen heeft werkster steeds btw in rekening gebracht, die zij afdroeg aan de Belastingdienst. De gefactureerde bedragen zijn overgemaakt naar de zakelijke rekening van HI bij de ING Bank. In december van elk jaar stuurde werkster een voorstel tot aanpassing van de prijzen voor de werkzaamheden vanaf januari van het volgende jaar, welk voorstel de Britse ambassade steeds heeft aanvaard. De ambassade heeft werkster per brief van 30 maart 2009 medegedeeld dat zij haar facilitaire activiteiten, waaronder schoonmaakwerkzaamheden, ging uitbesteden aan Interserve. Vanaf april 2009 heeft werkster tegen betaling door Interserve van door HI aan Interserve maandelijks verstuurde facturen schoonmaakwerkzaamheden verricht bij de ambassade. Op deze facturen heeft HI steeds btw in rekening gebracht, die zij afdroeg aan de Belastingdienst. Bij brief van 1 december 2010 heeft Interserve werkster meegedeeld dat de werkzaamheden per 28 februari 2011 zouden eindigen en heeft zij werkster uitgenodigd een offerte in te dienen voor een nieuw contract voor schoonmaakwerkzaamheden bij de ambassade en bij een andere locatie in Amsterdam. Werkster heeft een offerte ingediend voor HI bij Interserve. Interserve heeft op 10 februari 2011 aan werkster laten weten de offerte niet te accepteren. De vorderingen van werkster zijn gebaseerd op de stelling dat zij kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 1 onderdeel b onder 2 BBA. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW is.
Het hof oordeelt als volgt. Artikel 1 onderdeel b onder 2 BBA definieert mede als ‘werknemer’: ‘degene die persoonlijk arbeid verricht voor een ander, tenzij hij dergelijke arbeid in de regel voor meer dan twee anderen verricht of hij zich door meer dan twee andere personen, niet zijnde zijn echtgenoot of geregistreerd partner of bij hem inwonende bloedverwanten of aanverwanten of pleegkinderen, laat bijstaan of deze arbeid voor hem slechts een bijkomstige werkzaamheid is’. Het vereiste ‘persoonlijk arbeid te verrichten’ brengt mee dat moet worden onderzocht of werkster verplicht was de overeengekomen arbeid persoonlijk te verrichten (vgl. HR 21 maart 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4919, HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8253 en HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7500). De omstandigheid dat werkster feitelijk zelf de schoonmaakwerkzaamheden placht te verrichten, is niet voldoende om het BBA van toepassing te achten. Voor zover de grieven van een andere opvatting uitgaan, worden deze op dat punt verworpen. De rechtbank heeft overwogen dat in contractdocumenten tussen partijen niet te vinden is dat werkster de overeengekomen arbeid persoonlijk dient te verrichten. Werkster heeft dit niet bestreden, zodat dit vaststaat. De rechtbank heeft zich vervolgens terecht de vraag gesteld of partijen niettemin iets anders bij het sluiten van de overeenkomst hebben beoogd, hetgeen namelijk op zichzelf mogelijk is. Werkster heeft ook in hoger beroep niet geconcretiseerd uit welke feiten en omstandigheden zou moeten worden afgeleid dat werkster de schoonmaakwerkzaamheden persoonlijk diende te verrichten. In elk geval heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aard van de werkzaamheden niet zodanig is dat daaruit volgt dat partijen voor ogen moet hebben gestaan dat deze werkzaamheden door werkster persoonlijk zouden worden verricht. De rechtbank heeft voorts overwogen dat gesteld noch gebleken is dat Interserve Ltd ooit enige zeggenschap heeft gehad of heeft willen hebben over de vraag wie bij afwezigheid van werkster de schoonmaakwerkzaamheden zou uitvoeren. In hoger beroep heeft werkster evenzeer geen feiten gesteld waaruit dit kan volgen. Het ontbreken van deze zeggenschap wijst temeer erop dat partijen niet hebben beoogd overeen te komen dat werkster de werkzaamheden persoonlijk diende te verrichten.