Naar boven ↑

Rechtspraak

ondernemingsraad Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven/Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 18 november 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:6594

ondernemingsraad Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven/Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven

Eventuele koerswijziging als gevolg van mogelijke intrekking subsidie is geen adviesplichtig voorgenomen besluit. Besluit tot schorsing statutair directeur is niet adviesplichtig, besluit tot ontslag wel.

De Stichting Centrum voor de Kunsten Eindhoven (hierna: de Stichting) is uitvoerder van kunsteducatie voor de gemeente Eindhoven. X is sinds 18 jaar directeur/statutair bestuurder van de Stichting. De OR is door de raad van toezicht (RvT) op 11 november 2015 in de gelegenheid gesteld ex artikel 30 WOR te adviseren over het voorgenomen besluit om X te ontslaan. De RvT is van mening dat zij onvoldoende in staat is gesteld om haar toezichthoudende taak te vervullen. Daarnaast is evident sprake van een verschil van inzicht over het te voeren beleid en een wederzijdse vertrouwensbreuk. De OR heeft negatief geadviseerd. Op 16 november 2015 heeft de RvT aangekondigd dat er een transitieplan zal worden opgesteld in verband met het verleggen van 2 miljoen euro subsidie. De OR vordert te bepalen dat bij afweging van alle betrokken belangen de Stichting bij monde van de RvT niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot (vaststelling van) de koerswijziging, en te bepalen dat dit impliciete besluit tot koerswijziging een adviesplichtig besluit is. Daarnaast vordert de OR onder meer intrekking van het besluit tot schorsing van de directeur. Door het ontslag van de directeur zou een wijziging in de strategie worden ingezet, die naar de OR vreest, de Stichting € 2.000.000 zou kunnen kosten. Het zou het voortbestaan van Stichting in gevaar kunnen brengen.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Voor zover het om medezeggenschapsrechtelijke geschillen gaat, is de ondernemingsraad procesbevoegd. Omdat de OR procesbevoegdheid heeft, is zij (in beginsel) ontvankelijk in haar vorderingen. Dat de OR zich (mogelijk) ook tot de kantonrechter had kunnen wenden, leidt er ook niet toe dat de OR niet ontvankelijk moet worden geacht in haar vorderingen. Uit artikel 254 lid 5 Rv moet worden afgeleid dat de voorzieningenrechter (ook) in zaken die ten gronde door de kantonrechter worden behandeld een voorlopige voorziening kan treffen. De OR heeft aan de vorderingen ten grondslag gelegd dat het (voorgenomen) besluit tot ontslag van de directeur van de Stichting impliciet een voorgenomen koerswijziging van de Stichting tot gevolg heeft en daarom onder de werking van artikel 25 lid 1 onderdeel e WOR valt. Aan de OR valt toe te geven dat de RvT in de brief van 16 november 2015 stelt dat ‘het verleggen van 2 miljoen subsidie vraagt om een zorgvuldige regie’, waaruit mogelijk kan worden afgeleid dat de RvT de (eventuele) vermindering van de subsidie door de gemeente Eindhoven heeft geaccepteerd. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat hiermee slechts wordt geanticipeerd op mogelijke beslissingen van de gemeente Eindhoven. In het geval de gemeente Eindhoven de door SCE voorgestelde vermindering van de subsidie aan de Stichting zou overnemen, kan dat er mogelijk toe leiden dat de Stichting haar organisatie zal dienen te wijzigen en sprake zal zijn van (voorgenomen) adviesplichtige besluiten (in de toekomst). Zo ver is het echter nog niet. Eerst zal moeten worden afgewacht of de aan de Stichting toe te kennen subsidie zal worden verminderd. Het besluit tot schorsing van de directeur-bestuurder is niet adviesplichtig in de zin van artikel 25 lid 1 WOR. Dat geldt wel voor het besluit tot ontslag van de directeur-bestuurder ingevolge artikel 30 lid 1 WOR, waarin is bepaald dat de OR door de ondernemer in de gelegenheid wordt gesteld om advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen tot (benoeming of) ontslag van een bestuurder van de onderneming. Daarvoor geldt in dit geval dat de RvT de OR ook om advies heeft gevraagd en dat dat advies is uitgebracht. Indien de OR van mening was dat op het moment dat zij het advies uitbracht (nog) niet geadviseerd had kunnen worden, had het op haar weg gelegen dit op dat moment te melden, maar de OR heeft alstoen (zij het negatief) geadviseerd. Het (voorgenomen) besluit tot ontslag van de directeur-bestuurder kan niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 25 lid 1 onderdeel e WOR, aangezien dit niet leidt tot een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming. De vordering tot opheffing van de aan de OR opgelegde geheimhoudingsplicht wordt afgewezen. Het is niet in het belang van de Stichting dat dit geschil verder publiekelijk wordt gemaakt. Sprake is van een geschil tussen de Stichting en haar directeur dat door deze partijen dient te worden opgelost dan wel op verzoek van (een van) deze partijen door de rechter dient te worden beslecht.