Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 17 november 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:4582
werknemer/NTS Group BV
Werknemer (geboren 1952) is op 1 oktober 1988 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van NTS. In 1992 is een WAO-excedentverzekering afgesloten tot 90% van het brutoloon. In 1994 is - in overleg met de COR - de regeling bijgesteld op 80%. Na een eerdere ziekteperiode en WAO-aanvulling tot 90% is werknemer sinds september 2008 wederom uitgevallen (80-100% arbeidsongeschikt). Werknemer ontvangt sindsdien 80% aanvulling. Werknemer heeft bij brief van 29 oktober 2013 aan NTS tevergeefs aanspraak gemaakt op de aanvulling van de WAO-uitkering tot 90% over de periode van 1 november 2008 tot 1 november 2013, te verhogen met de indexering van 3% vanaf 18 mei 2009, de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. Werknemer heeft niet bestreden dat hij de wijziging in 1994 niet in rechte heeft aangevochten en dat deze wijziging door alle andere werknemers, die in aanmerking komen voor deze arbeidsvoorwaarde, is geaccepteerd, aldus de kantonrechter. De kantonrechter komt vervolgens tot de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor NTS onaanvaardbaar is om haar vanaf het einde van de overeenkomst (1 november 2008) tot aan de datum waarop de aanspraak op de WAO-uitkering eindigt (1 juni 2017) te houden aan het oorspronkelijk afgesproken percentage van 90%.
Het hof oordeelt als volgt. In de kern genomen gaat het erom of de door (de rechtsvoorganger van) NTS doorgevoerde wijziging in 1994 - ten gevolge waarvan de WAO-uitkering niet tot 90% maar tot 80% van het brutosalaris wordt aangevuld - werknemer bindt. Hoewel NTS stelt dat ten gevolge van de valutacrisis zij genoodzaakt was de wijziging door te voeren, acht het hof de stelling te weinig concreet en onvoldoende onderbouwd. NTS heeft betoogd dat het feiten van algemene bekendheid betreft, maar zelfs als dit zo zou zijn, heeft NTS niet duidelijk aangegeven en onderbouwd wat het niet doorvoeren van de wijziging in concreto voor haar (bedrijfsvoering) zou betekenen. Reeds hierom is niet voldaan aan het eerste onderdeel van de toetsingsmaatstaf. Daar komt nog bij dat aan werknemer destijds evenmin een voorstel is gedaan waarmee hij wel of niet kon instemmen. Als niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat immers tussen partijen vast dat werknemer pas bij brief van 22 juni 1994 met de wijziging, nadat deze definitief was geworden, is geconfronteerd. Het hof is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat werknemer niet gebonden is aan de door (de rechtsvoorganger van) NTS in 1994 doorgevoerde wijziging. Uit het voorgaande vloeit ook voort dat - voor zover NTS een beroep doet op artikel 6:248 BW - dit niet tot een ander oordeel leidt.