Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15 september 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:3854
werkgever/werknemer
Werkgever houdt zich bezig met het produceren en leveren van gedroogde en vloeibare eiproducten voor onder meer de voedingsmiddelenindustrie. Op 16 november 2014 is werknemer door werkgever geconfronteerd met de camerabeelden, waarop - volgens werkgever - te zien is dat werknemer tijdens zijn werkzaamheden heeft geconstateerd dat in de verpakking van een doos met eierpoeder een gat zat, dat werknemer deze doos (verder: de gewraakte doos) niettemin ‘door heeft laten gaan’, en dat hij de gewraakte doos onderop een pallet heeft geplaatst. Nadat hoor en wederhoor zijn toepgepast is werknemer op 26 november 2014 op staande voet ontslagen.
Het hof oordeelt als volgt. De werkzaamheden die werknemer volgens instructie ten behoeve van werkgever diende te verrichten kwamen er, voor zover thans relevant, in beginsel op neer dat hij dozen met eierpoeder die via een lopende band in zijn richting werden aangevoerd op een pallet moest laden waarop plaats was voor achttien dozen, waarbij hij iedere achttiende (dus laatste) doos diende te controleren door deze te openen en te inspecteren, waarna deze - indien in orde bevonden - dubbel met tape afgedicht als laatste op de desbetreffende pallet moest worden geplaatst en de pallet (voor verder vervoer) moest worden afgewerkt. Op de camerabeelden is te zien dat op zeker moment zowel de achttiende doos als de negentiende (de gewraakte) doos op de lopende band voor verwerking door werknemer gereed staan en dat werknemer vervolgens niet de achttiende maar de negentiende doos openmaakt en inspecteert, waarvoor hij als verklaring heeft gegeven - zoals hiervoor reeds overwogen - dat hij op die doos een ‘tik’ zag en daarom dacht dat de (plastic) zak die zich in de (kartonnen) doos bevond wellicht kapot was. Deze handelwijze van werknemer getuigt volgens het hof van verantwoordelijkheidsbesef en betrokkenheid bij het werk. Bij het openen van de gewraakte doos voelt werknemer poeder op zijn handen en veronderstelt dat er een gat zit in de zich in die doos bevindende plastic zak althans dat er iets niet deugt, waarna hij zich uit het beeld van de camera verwijdert om - naar hij onweersproken heeft gesteld - op de plek waar de zakken (automatisch) met poeder worden gevuld te controleren of de zakken bij het vullen ervan door de uitvoermachine wel recht hangen, wat het geval blijkt te zijn. Bij terugkeer dicht hij de gewraakte doos dubbel met tape af omdat de doos naar zijn zeggen anders niet (veilig) door de tilmachine van de lopende band kan worden weggetild, wat het hof niet als een onaannemelijke verklaring voor die handelwijze voorkomt, nu volgens de (op zichzelf niet weersproken) stellingen van werknemer de oude tilmachine vaak defect was en geen goede grip had. Vaststaat dat werknemer na het aldus afdichten van de gewraakte doos de achttiende doos heeft gecontroleerd door deze te openen en te inspecteren, dat hij deze in orde heeft bevonden, dubbel met tape heeft afgedicht, vervolgens - geheel volgens de geldende instructies - als laatste doos op de reeds met zeventien dozen gevulde pallet heeft gezet en de pallet vervolgens voor verder vervoer heeft afgewerkt. Werknemer heeft ter voornoemde zitting onweersproken gesteld dat - eveneens volgens de instructies van werkgever - eerst de pallet moest worden gevuld en daarna pas eventuele problemen moesten worden aangepakt. Vaststaat dat werknemer - na nog wat andere dozen op een andere pallet te hebben gestapeld - kort daarna door een collega van zijn werkplek is weggeroepen om problemen elders in de bedrijfshal op te lossen, dat hij na ongeveer zestien minuten is teruggekeerd op zijn werkplek en na ongeveer tweeëntwintig minuten de gewraakte (negentiende) doos - die op dat moment overigens niet meer als enig overgebleven doos op de desbetreffende lopende band stond - met behulp van de tilmachine onderop een nieuw, leeg pallet heeft geplaatst. Voor deze - gelet op wat hij zelf voordien had geconstateerd althans had gemeend te constateren - op zichzelf onjuiste handelwijze van werknemer heeft hij als verklaring aangevoerd dat hij inmiddels was vergeten dat de desbetreffende doos wellicht een defecte verpakking had en dus - naar tussen partijen vaststaat - moest worden verwijderd, wat, gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop hij werd weggeroepen door een collega en dat waarop hij weer terugkeerde op zijn werkplek, op zichzelf weliswaar een onvoldoende excuus vormt maar niet zonder meer ongeloofwaardig is. Naar het oordeel volgt uit het voorgaande niet dat werknemer bewust en opzettelijk de gewraakte doos heeft geplaatst in strijd met de instructies.