Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Vakinstelling SVO/werkneemster
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 14 oktober 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:8999

Stichting Vakinstelling SVO/werkneemster

Ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst coördinator studentenondersteuning afgewezen. Van (ernstig) verwijtbaar handelen dan wel een verstoorde arbeidsrelatie is geen sprake.

Werkneemster is sinds 9 september 1991 in dienst bij Stichting Vakinstelling SVO (hierna: SVO). De laatstelijk vervulde functie is die van coördinator studentenondersteuning. Werkneemster is op 15 en 16 april 2015 betrokken geweest bij het afnemen van schriftelijke toetsen bij studenten die bij SVO een MBO-opleiding volgen. SBO heeft op voornoemde data in het bijzijn van werkneemster de afgelegde examens ongeldig verklaard. SVO verzoekt primair de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op de kortst mogelijke termijn op grond van ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster en voor recht te verklaren dat sprake is van een dringende reden waarvan werkneemster een verwijt kan worden gemaakt. Subsidiair verzoekt SVO de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen van werkneemster en/of op grond van een verstoorde arbeidsrelatie en/of het bestaan van omstandigheden waardoor in redelijkheid niet langer van SVO gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst langer voortduurt. Aan het verzoek legt SVO onder meer ten grondslag dat de gang van zaken gedurende de op 15 en 16 april 2015 afgenomen toetsen, waarbij werkneemster als examinator optrad, niet conform de regels is geweest, blijkens de door verschillende cursisten afgelegde verklaringen en door SVO ontvangen klachten. Het verweer van werkneemster strekt tot afwijzing van het verzoek. Werkneemster voert hiertoe onder meer aan dat zij van meet af aan de beschuldigingen heeft ontkend. Tevens wijst werkneemster erop dat haar functie coördinator studentondersteuning is en dat zij geen examinator is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De door SVO in haar verzoekschrift concreet genoemde verwijten dienen mede te worden beoordeeld in het licht van de omstandigheid dat het een groep leerlingen betrof met een leerbeperking, dat de twee leerlingen die klachten tegen werkneemster aanzwengelden dit deden vanwege het feit dat zij al tijdens het examen te horen zouden hebben gekregen dat zij een onvoldoende zouden hebben gehaald, dat het voor de betreffende leerlingen de laatste kans was hun opleiding af te ronden en dat medewerkers van SVO, waaronder werkneemster, bij gelegenheid tegelijkertijd verschillende rollen vervullen, zoals in casu die van mentor van de leerlingen en die van ‘examinator’. In het licht van genoemde feiten en omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat werkneemster zich schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) verwijtbaar handelen als door SVO gesteld. Ook hetgeen SVO subsidiair aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd, rechtvaardigt niet dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Dat daadwerkelijk van een verstoorde arbeidsrelatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW sprake is, is niet aannemelijk. Het vorenoverwogene dient mede bezien te worden in het licht van de omstandigheid dat werkneemster reeds zeer lang en kennelijk naar alle tevredenheid in dienst is bij SVO. De verzochte ontbinding wordt afgewezen.