Naar boven ↑

Rechtspraak

Federatie Nederlandse Vakvereniging c.s./werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 2 december 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:7532

Federatie Nederlandse Vakvereniging c.s./werkgever

Eenzijdig ingevoerde stalplaatsregeling en jaarurenregeling. Het belang van de werkgever prevaleert boven het belang van de FNV bij naleving van de cao.

Werkgever legt zich toe op (groeps)vervoer van leerlingen in het primair onderwijs, speciaal onderwijs en personen met een beperking. Bij werkgever zijn circa 550 werknemers in loondienst werkzaam. Op de arbeidsovereenkomsten met de werknemers van werkgever zijn de CAO Taxivervoer en de CAO Sociaal Fonds Taxi van toepassing. Werkgever is lid van de werkgeversorganisatie Taxivervoer Nederland die bij de beide cao’s partij is. De beide cao’s zijn ook algemeen verbindend verklaard. In de loop van 2015 is werkgever in de financiële problemen gekomen. Werkgever is daarnaast geconfronteerd met beëindiging van drie grote opdrachten op het gebied van school- en instellingenvervoer, waarbij het grootste deel van de werknemers zijn overgegaan op de opvolgend vervoerder. De werknemers die niet zijn overgegaan, zijn in dienst gehouden en ingezet op andere routes. Met ingang van 1 september 2015 heeft de werkgever de stalplaatsregeling ingevoerd, waarbij het uitgangspunt is dat de chauffeurs de te gebruiken auto’s bij aanvang van de dienst ophalen bij het startpunt van de route en na afloop van de dienst daar weer terugbrengen (stalplaats). Voor de chauffeurs van werkgever brengt dat mee dat zij niet worden uitbetaald voor woon-werkverkeer. De FNV vordert een verbod voor de werkgever om de stalplaatsregeling en de jaarurenregeling in te voeren en/of te hanteren.  

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het gevorderde verbod met betrekking tot de jaarurenregeling wordt afgewezen, omdat ter zitting door werkgever is aangevoerd dat zij al eerder had besloten de jaarurenregeling niet in te voeren ten aanzien van werknemers die dat niet wensen. De voorzieningenrechter oordeelt met betrekking tot de stalplaatsregeling als volgt. Voldoende aannemelijk is geworden dat FNV in de gegeven omstandigheden voldoende getracht heeft werkgever te bewegen de betreffende cao-bepaling inzake woon-werkverkeer na te komen. Blijkens het door werkgever gevoerde verweer is zij daartoe niet bereid. Enerzijds is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de stalplaatsregeling een eenzijdige wijziging betreft ten opzichte van de voorheen van toepassing zijnde standplaatsregeling conform artikel 2.1.6 van de cao. Anderzijds is vooralsnog niet uit te sluiten dat de bodemrechter in de reeds aanhangige bodemprocedures zal oordelen dat één of meerdere verweren van werkgever gegrond zijn omdat sprake is van wijziging van omstandigheden zoals door werkgever gesteld en (ook in dit kort geding) tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat strikte naleving van artikel 2.1.6 van de cao zal leiden tot het faillissement van werkgever. Met de gemachtigde van werkgever is de voorzieningenrechter van oordeel dat op basis van artikel 2.1.6 van de cao vooralsnog niet uitgesloten kan worden geacht dat binnen de normen van het X-arrest de arbeidsvoorwaarden in individuele contracten met de chauffeurs van werkgever eenzijdig kunnen worden gewijzigd en het op dit onderdeel gevoerde verweer doel zal kunnen treffen. Ten aanzien van een belangenafweging tussen partijen wordt het volgende overwogen. Binnen deze context is er, een en ander tegen elkaar afwegend, een grote onevenredigheid tussen het belang van de FNV bij naleving van de cao en het belang van werkgever de beslissing van de bodemrechter in de eerdergenoemde individuele procedures bij deze rechtbank af te wachten. Bij deze afweging van belangen speelt het belang van behoud van werkgelegenheid voor een groot aantal werknemers van werkgever een grote rol. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien waarom - binnen de context van deze zaak - de focus van de FNV niet mede op dat belang - behoud van werkgelegenheid - is gericht. Het belang van werkgever dient in de gegeven omstandigheden te prevaleren boven het belang van de FNV. Het belang van een aantal werknemers bij naleving van de cao-bepaling omdat hun vorderingen uit de 13-wekenperiode van artikel 61 e.v. WW dreigen te lopen, noopt niet tot een ander oordeel.