Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 oktober 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:3341
werknemer/Heikade B.V.
Werknemer is op 5 november 2001 bij Heikade in dienst getreden. Laatstelijk was hij daar werkzaam in de functie van bedrijfsleider, dit tegen een brutosalaris van € 4.035,96 per vier weken (excl. emolumenten). Heikade heeft het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met werknemer te mogen opzeggen, dit wegens het staken van de bedrijfsactiviteiten. Bij besluit van 30 oktober 2012 heeft het UWV de gevraagde toestemming verleend, waarop Heikade de arbeidsovereenkomst met werknemer op rechtsgeldige wijze heeft opgezegd tegen 26 januari 2013.
Het hof oordeelt als volgt. In aanmerking genomen de leeftijd van werknemer (57 jaar), de duur van het dienstverband (11 jaar), werknemers inzet voor het bedrijf als bedrijfsleider, de crisis in de bouw ten tijde van het ontslag en de mede als gevolg daarvan geringe kansen op de arbeidsmarkt voor werknemer, mede gelet op diens leeftijd en eenzijdige werkervaring, en de financiële gevolgen voor werknemer (als kostwinner met twee studerende kinderen) als gevolg van het einde van het dienstverband met Heikade, is het hof van oordeel dat werknemer bij gelegenheid van het einde van dat dienstverband in verband met de bedrijfssluiting, enigermate financieel gecompenseerd dient te worden (dit op grond van ‘het gevolgencriterium’ als bedoeld in art. 7:681 (oud) BW). Het achterwege blijven van een toereikende financiële genoegdoening maakt in dit geval dat de opzegging kennelijk onredelijk is. Het hof is van oordeel dat de verwijtbaarheid aan de kant van Heikade niet erg groot was. Bij het bepalen van de werknemer toekomende vergoeding is, naast hetgeen hiervoor is overwogen en de financiële omstandigheden waar Heikade zich op beroept, ook de werkloosheidsduur, zoals die ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kon worden ingeschat, relevant. Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat gelet op de leeftijd van werknemer, zijn werkervaring en de toen reeds ingetreden crisis, niet te verwachten was dat werknemer binnen een termijn van anderhalf jaar weer werk zou vinden. Dat de recessie zo lange tijd zou aanhouden was ten tijde van het aan werknemer gegeven ontslag niet voorzienbaar. Rekening houdend met de financiële situatie van Heikade en alle overige omstandigheden van het geval, bepaalt het hof de schadevergoeding uit kennelijk onredelijk ontslag op € 25.500 bruto.