Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 7 december 2015
ECLI:NL:RBLIM:2015:10158

werknemer/werkgeefster

Ontslag op staande voet touringcarchauffeur na niet afdragen € 450 houdt stand. Voor een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan vervolgens geen plaats meer zijn.

Werknemer is met ingang van 1 mei 1999 ingevolge een oproepcontract bij een rechtsvoorgangster van werkgeefster in dienst getreden als touringcarchauffeur. Tijdens een door werknemer uitgevoerde rit in augustus 2015 heeft werknemer een contante betaling van een reiziger ad € 450 ter hand gesteld gekregen, welk bedrag hij niet op de voorgeschreven wijze heeft afgestort in een daarvoor aangewezen kluis. Werknemer is volhardend gebleven in zijn standpunt het bedrag van € 450 niet ter beschikking te stellen aan werkgeefster en dat heeft, na een laatste sommatie op 23 september 2015, tot het ontslag op staande voet van 24 september 2015 geleid. Werknemer verzoekt, naast een aantal bijkomende verzoeken, vernietiging van het ontslag op staande voet en betaling van zowel een billijke vergoeding als een transitievergoeding. Werkgeefster heeft het verzoek van werknemer weersproken en verzoekt onder meer tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e en/of g BW, met bepaling dat werknemer noch een billijke vergoeding noch een transitievergoeding toekomt.

De kantonrechter oordeelt als volgt met betrekking tot het ontslag op staande voet. Het onder zich houden en blijven houden van een aan werknemer door een reiziger ter hand gestelde reissom kan en moet worden gekwalificeerd als verduistering. De omstandigheid dat werknemer ruimte aanwezig heeft gezien voor een beroep op verrekening van het bedrag met hetgeen hijzelf nog van werkgeefster te vorderen zou hebben doet aan het voorgaande niets af. Van werkgeefster kan niet worden gevergd dergelijk handelen van werknemer te dulden. Een en ander volgt reeds uit de opsomming van dringende redenen in artikel 7:678 BW. Het handelen van werknemer levert een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het verzoek tot vernietiging van dat ontslag wordt afgewezen. Toekenning van een transitievergoeding aan werknemer is op grond van artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW niet aan de orde. Ook voor toekenning van een billijke vergoeding is geen plaats.

Ten aanzien van de voorwaardelijke ontbinding oordeelt de kantonrechter als volgt. Nu het ontslag op staande voet geldig is gegeven, rijst de vraag of er daarnaast in de systematiek van afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW, zoals deze vorm heeft gekregen met ingang van 1 juli 2015, nog steeds plaats is voor een voorwaardelijke ontbinding tegen een andere datum c.q. onmiddellijke datum, zoals door werkgeefster met haar zelfstandig verzoek bij verweerschrift is verzocht. De Hoge Raad heeft in de jaren tachtig de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding aanvaard gelet op de destijdse regelgeving en de daaraan verbonden periode van onzekerheid. Hiervan is inmiddels geen sprake meer. Nu het ontslag op staande voet door de kantonrechter rechtsgeldig is geacht, valt er niets meer (voorwaardelijk) te ontbinden. Daarbij geldt dat, indien de kantonrechter tegelijkertijd de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk zou ontbinden, hij zijn eigen oordeel in twijfel zou trekken. Voor een voorwaardelijk ontbindingsverzoek is volgens de kantonrechter dan ook geen plaats. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.