Rechtspraak
Hoge Raad, 11 december 2015
ECLI:NL:HR:2015:3550
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Levensmiddelen/Hanos-ISPC Breda B.V. en GOG Breda B.V.
(Cassatieberoep van AR 2014-0315.) Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Levensmiddelen (Bpf GIL) heeft een verklaring voor recht gevorderd dat Hanos-ISPC en GOG met terugwerkende kracht onder Bpf GIL vallen en derhalve premies verschuldigd zijn ad € 9.385.634,46. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. In hoger beroep stond de vraag centraal of ISPC onder de zogenoemde b-grond van Bpf GIL valt, welke luidt: ‘de onderneming, waarin uitsluitend of in hoofdzaak wordt uitgeoefend: (...) b. het bedrijf van het kopen en het verkopen aan wederverkopers van één of meer der navolgende produkten: bakkerijgrondstoffen, specerijen, vleeswaren, visconserven, tabak en/of tabaksprodukten, zoetwaren en/of gedroogde zuidvruchten en aanverwante artikelen.’ Daarnaast stond de vraag centraal of ISPC een groothandel is in de zin van Bpf GIL. Meer in het bijzonder gaat het dan om de vraag of een groothandel in levensmiddelen actief moet zijn op zowel de binnen- als de buitenhuishoudelijke markt, om te kwalificeren als een ‘groothandel in levensmiddelen gericht op de binnen- en buitenhuishoudelijke markt’ in de zin van de beide verplichtstellingsbesluiten. Nu ISPC uitsluitend actief is op de buitenhuishoudelijke markt, is zij volgens ISPC geen groothandel in levensmiddelen in de zin van de verplichtstellingsbesluiten 2005 en 2009, waarvoor deelneming verplicht is gesteld. Het hof oordeelde dat een groothandel die uitsluitend op de buitenhuishoudelijke markt actief is, niet valt onder het begrip ‘groothandel’ van de Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Levensmiddelen. Het begrip ‘aanverwante artikelen’ in de genoemde beschikking moet eng worden uitgelegd.
De advocaat-generaal (Keus) concludeert als volgt. De uitleg die het hof heeft gegeven aan de omschrijving ‘aanverwante artikelen’ in het verplichtstellingsbesluit 1999, komt mij, gelet op de cao-norm, juist voor. Indien, zoals de klacht tot uitgangspunt neemt, met de omschrijving ‘aanverwante artikelen’ zou zijn beoogd de groothandel in levensmiddelen in het algemeen onder de b-categorie van het verplichtstellingsbesluit 1999 (‘het bedrijf van het kopen en het verkopen aan wederverkopers van één of meer der navolgende produkten:’) te brengen, had het niet voor de hand gelegen om in dit besluit, voorafgaand aan ‘aanverwante artikelen’, zeven specifieke producten op te sommen, te weten: ‘bakkerijgrondstoffen, specerijen, vleeswaren, visconserven, tabak en/of tabaksproducten, zoetwaren en/of gedroogde zuidvruchten’, van welke producten de meeste ook levensmiddelen zijn. De afzonderlijke vermelding van een aantal specifieke levensmiddelen zou immers volstrekt overbodig zijn, indien met de vermelding van de laatste categorie zou zijn bedoeld alle levensmiddelen onder het bereik van de bepaling te brengen. In dat geval had het verplichtstellingsbesluit 1999 eenvoudig en ondubbelzinnig van ‘levensmiddelen’ kunnen spreken, in plaats van een aantal specifieke levensmiddelen op te sommen en die opsomming van de weinig duidelijke restcategorie van ‘aanverwante artikelen’ te voorzien. Overigens ligt het ook daarom niet voor de hand dat zou zijn bedoeld de b-categorie alle groothandelsactiviteiten met betrekking tot alle levensmiddelen te doen omvatten, omdat daarmee de assortimentseis die de a-categorie begrenst, praktisch iedere betekenis zou worden ontnomen. De b-categorie zou dan immers alle groothandelsactiviteiten met betrekking tot alle levensmiddelen omvatten, ongeacht of deze levensmiddelen al dan niet in enig assortiment worden gevoerd en, zo ja, ongeacht de samenstelling daarvan. Dat de term ‘aanverwant’ zou verwijzen naar een gemeenschappelijk kenmerk van de vooraf in de omschrijving van de b-categorie opgesomde producten (te weten dat het steeds levensmiddelen zouden zijn), kan naar mijn mening ook daarom niet worden aangenomen, omdat de bedoelde opsomming ook ‘tabak en/of tabaksproducten’ omvat en het zinsdeel ‘en aanverwante artikelen’ evenzeer op die producten terugslaat. Tabak en/of tabaksproducten zijn geen levensmiddelen. Ook dat verzet zich mijns inziens ertegen het begrip ‘aanverwante artikelen’ op grond van een verondersteld gemeenschappelijk kenmerk van alle vooraf opgesomde producten (het karakter van levensmiddel) als ‘(overige) levensmiddelen’ op te vatten. Voor zover Bpf GIL beoogt te klagen dat het hof rekening had moeten houden met de bedoeling van de opstellers van het verplichtstellingsbesluit 1999 om levensmiddelen in algemene zin onder de werkingssfeer van dat besluit te brengen, faalt deze klacht, aangezien (nog daargelaten of zulks daadwerkelijk de bedoeling van de opstellers is geweest) deze bedoeling voor derden niet objectief kenbaar was.
Bij het duiden van de betekenis van de passage ‘en levensmiddelen gericht op binnen- en buitenhuishoudelijke markt’ mag niet uit het oog worden verloren dat het ook in de b-categorie gaat om het onderscheiden van groothandelsondernemingen, waarvan de werknemers tot verplichte deelname aan de bedrijfstakpensioenregeling verplicht zijn. In overeenstemming daarmee werken de verplichtstellingsbesluiten de passage ‘en levensmiddelen gericht op binnen- en buitenhuishoudelijke markt’ (evenals de verwijzing naar de specifieke productsoorten van de b-categorie) nader uit met een definitie, niet van het begrip ‘levensmiddelen gericht op binnen- en buitenhuishoudelijke markt’, maar van het begrip ‘groothandel in levensmiddelen gericht op de binnen- en buitenhuishoudelijke markt’. Wat volgens de verplichtstellingsbesluiten voor de betrokken groothandelsondernemingen onderscheidend is, is kennelijk niet dat zij producten voeren die zowel voor de binnen- als de buitenhuishoudelijke markt geschikt zijn, maar dat zij hun groothandelsactiviteiten zowel op de binnen- als op de buitenhuishoudelijke markt richten. Mijns inziens valt een onderneming die haar groothandelsactiviteiten uitsluitend op de binnen- dan wel de buitenhuishoudelijke markt richt, daarom buiten de omschrijving van ‘groothandel in levensmiddelen gericht op de binnen- en buitenhuishoudelijke markt’.
Het door het hof in r.o. 4.4.11 (van ISPC) overgenomen voorbeeld van een onderneming die slechts één (type) levensmiddel verkoopt, te weten, spaghetti, kan mijns inziens, zoals de klacht terecht aanvoert, niet redengevend zijn voor het oordeel dat ISPC niet onder de b-categorie van de verplichtstelling valt. Zoals hiervoor weergegeven is de b-categorie, die - anders dan de a-categorie - geen assortimentseis kent, juist (mede) bedoeld voor ondernemingen die één bepaald (type) levensmiddel verkopen. Daarnaast is ISPC geen onderneming die slechts één (type) levensmiddel verkoopt. Hoewel het oordeel van het hof op dit punt onjuist is, is de uitkomst hetzelfde.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.