Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 11 november 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:9381
CSU personeel B.V./werkneemster
Op 6 december 2011 is werkneemster in dienst getreden bij CSU in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud voor 13,75 uur per week tegen een loon van € 11,13 bruto per uur. Werkneemster heeft zich op 12 maart 2015 ziek gemeld bij CSU vanwege een ongeval met een auto. Na overleg met de bedrijfsarts is afgesproken dat zij op therapeutische basis zou starten met het verrichten van lichte aangepaste arbeid voor de duur van 1,25 uur per dag. Na één dag is werkneemster gestopt. CSU heeft vervolgens het loon opgeschort. Daaropvolgend heeft werkneemster een second opinion bij het UWV aangevraagd, waaruit blijkt dat het werk wel passend is. Kort daarna is werkneemster weer gestopt met werken. CSU heeft in reactie hierop een tweede deskundigenoordeel gevraagd. Hierin staat dat werkneemster de aangeboden werkzaamheden kan verrichten en dat zij de aangeboden passende werkzaamheden dient op te pakken. Op 11 augustus 2015 is werkneemster weer gestart met het verrichten van aangepaste werkzaamheden, maar is vervolgens ook weer gestopt en heeft zij aan CSU meegedeeld de arbeidstherapie te willen beëindigen. CSU verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van de transitievergoeding. Primair stelt CSU dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW, nu werkneemster, ondanks dat haar dit al meerdere malen door CSU is opgedragen, zonder redelijke grond verzuimt de eigen of passende arbeid als bedoeld in artikel 7:658a lid 4 BW te verrichten en daarmee haar re-integratieverplichtingen volgend uit artikel 7:660a BW structureel heeft geschonden. Subsidiair legt CSU ten grondslag dat door de handelwijze van werkneemster inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu CSU werkneemster op 30 april 2015, 20 juli 2015 en 13 augustus 2015 heeft aangemaand tot nakoming van haar verplichtingen en tot tweemaal toe de betaling van het loon heeft gestaakt en bovendien over een second opinion in de zin van artikel 7:629a BW beschikt, heeft zij in zoverre aan de vereisten van artikel 7:671b BW voldaan. De bedrijfsarts is van oordeel dat werkneemster in staat is tot het verrichten van lichte werkzaamheden voor 1,25 uur per dag. Dit oordeel is door het UWV tweemaal bevestigd. Werkneemster stelt dat niet kan worden vastgesteld dat alle door haar in de procedure overgelegde medische documenten van haar behandelaars door de bedrijfsarts en de verzekeringsarts bij hun beoordeling zijn betrokken. De kantonrechter heeft een schriftelijke reactie bij de verzekeringsarts opgevraagd (art. 7:629a lid 5 BW). De verzekeringsarts stelt dat zij kennis heeft genomen van de overgelegde brieven van de behandelaars, maar dat deze geen nieuwe medische informatie bevatten en geen aanleiding vormen om het eerdere oordeel te wijzigen. Dit betekent dat de door CSU aan werkneemster aangeboden arbeid passend is en dat werkneemster geen deugdelijke grond had om daarmee keer op keer te stoppen. Dit betekent dat sprake is van verwijtbaar nalaten aan de kant van werknemer, waardoor in redelijkheid van CSU niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt niet in de rede, omdat sprake is van verwijtbaar nalaten. CSU is wel gehouden tot betaling van een transitievergoeding (€ 884,21 bruto), omdat niet is gebleken dat werkneemster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Verder heeft CSU het loon, met uitzondering van 11 augustus 2015, op goede gronden ingehouden. Met betrekking tot de gewerkte uren op 11 augustus 2015 verschillen partijen van menig over de vraag hoe lang werkneemster die dag heeft gewerkt; een halfuur of de aangepaste arbeidsduur van een uur en vijftien minuten. Onvoldoende is vast komen te staan dat werkneemster minder dan 1,25 uur heeft gewerkt. Het overeenkomstige gevorderde loon over 11 augustus 2015 wordt daarom toegewezen.