Rechtspraak
Hoge Raad, 18 december 2015
ECLI:NL:HR:2015:3620
werkgever c.s./Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten
(Cassatieberoep van AR 2014-0901.) Bij arrest van het Hof Amsterdam 20 mei 2014, AR 2014-0901 is geoordeeld dat SNCU terecht vorderingen jegens X maar niet jegens de holding en de werkmaatschappij heeft ingesteld. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd. Hiertegen keren partijen zich in cassatie, stellende dat X ten onrechte de kosten van holding en werkmaatschappij draagt en dat SNCU deze kosten moeten dragen.
De advocaat-generaal (Langemeijer) concludeert als volgt. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat indien sprake is van zelfstandige vorderingen tegen verscheidene gedaagden, het telkens gaat om een afzonderlijke processuele rechtsverhouding tussen de eisende partij (hier: de SNCU) en ieder van deze gedaagden. In dat geval behoort telkens de partij die bij uitspraak in het ongelijk wordt gesteld, te worden veroordeeld in de kosten van het geding. In het bestreden arrest is het hof in r.o. 3.5 tot de slotsom gekomen dat SNCU de werkmaatschappij en de holding ten onrechte in rechte heeft betrokken. In het dictum heeft het hof de vorderingen tegen beide vennootschappen afgewezen. Dit oordeel laat geen andere slotsom toe dan dat SNCU in de rechtsbetrekking tussen haar en de werkmaatschappij en de holding volledig in het ongelijk is gesteld. Indien het hof een compensatie van proceskosten op de voet van artikel 237 Rv heeft bedoeld, zou de klacht gegrond zijn dat het hof ten onrechte de proceskosten in de verhouding tussen deze twee vennootschappen enerzijds en SNCU anderzijds heeft gecompenseerd: in dat geval zou het hof hebben miskend dat de werkmaatschappij en de holding in dit geding voor hun eigen belang opkwamen. Het is moeilijk voorstelbaar dat dit het hof zou zijn ontgaan. Aannemelijker acht de A-G dat het hof iets anders heeft bedoeld. Er moest een afrekening van proceskosten plaatsvinden enerzijds tussen X en SNCU (in het voordeel van SNCU) en anderzijds tussen de werkmaatschappij en SNCU, onderscheidenlijk tussen de holding en SNCU (in het nadeel van SNCU). X, de werkmaatschappij en de holding werden in appel door dezelfde advocaat vertegenwoordigd en hebben telkens gezamenlijk gedingstukken ingediend. Het hof had de proceskosten precies kunnen uitrekenen, waarna partijen die kostenveroordelingen met elkaar hadden kunnen verrekenen, maar is - kennelijk en niet onbegrijpelijk - van oordeel dat de bedragen van de kostenveroordeling over en weer elkaar niet of nauwelijks zouden ontlopen en dat in de rechtsverhouding tussen X, de werkmaatschappij en de holding onderling een verrekening zou plaatsvinden. Zo opgevat, missen de holding en de werkmaatschappij belang bij deze klacht. Middel 1 leidt daarom niet tot cassatie.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.