Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X Amsterdam BV
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 15 december 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:5200

werknemer/X Amsterdam BV

Kennelijk onredelijke opzegging 56-jarige gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer leidt tot schadevergoeding € 15.000.

Werknemer is op 1 augustus 1995 als schilder in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van X. In 1994 is hij voor 25-35% arbeidsongeschikt geraakt voor zijn werk als schilder. Zijn laatstelijk genoten brutoloon bedroeg € 673,41 per week. X heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer (en 14 anderen) per 1 april 2012 opgezegd na daartoe verkregen toestemming UWV. Werknemer ontvangt sinds 2 juni 2012 een WW-uitkering van € 87,75 bruto per dag, welke uitkering in beginsel loopt tot en met 1 juni 2015. Werknemer heeft zich op 3 december 2012 ziek gemeld. Sedert 4 maart 2013 ontvangt hij een uitkering op grond van de Ziektewet van € 445,65 bruto per week. Volgens werkemer is sprake van een kennelijk onredelijke opzegging, onder meer vanwege een onjuiste voorstelling van zaken/schending afspiegelingsbeginsel en het gevolgencriterium.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de financiële stukken volgt genoegzaam dat sprake was van een structurele omzetdaling. Dat werknemer is ingeruild voor flex, staat onvoldoende vast. Er is evenmin sprake van een verkeerde indeling in uitwisselbare functies. Wat het gevolgencriterium betreft oordeelt het hof dat sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging omdat werknemer vanwege de duur van het dienstverband, zijn eenzijdig arbeidsverleden en zeer beperkte scholing, een slechte arbeidsmarktpositie heeft. Voorts wordt gewezen op de omstandigheid dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en op zijn leeftijd van bijna 56 jaar ten tijde van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Naar verwachting komt hij niet meer aan de slag tot aan zijn pensioen, zodat hij op enig moment zal zijn aangewezen op een bijstandsuitkering, terwijl hij ook verder geen pensioen meer zal opbouwen.

Het hof acht een bedrag van € 15.000 bruto redelijk. Het zou onjuist zijn de volledige financiële last van de gevolgen van een opzegging bij een werkgever te leggen, niet alleen omdat een arbeidsovereenkomst in beginsel nu eenmaal niet beoogt een beroepsleven lang te duren, maar ook omdat niet goed valt in te zien dat het risico van economisch mindere tijden niet deels ook voor rekening van de werknemer dient te blijven. In dit geval was de opzegging van de arbeidsovereenkomst met werknemer vanwege bedrijfseconomische redenen begrijpelijk en niet onredelijk. Dat gerechtvaardigde belang van X doet echter op zich niet af aan de ernst van de gevolgen voor werknemer, die immers zonder baan en een navenant inkomen achterblijft. Het financiële scenario voor zijn toekomst als door werknemer geschetst komt het hof ook niet onaannemelijk voor. Alsdan is het gerechtvaardigd dat X, waar enigszins mogelijk, werknemer nog een - zij het relatief klein - financieel steuntje in de rug geeft teneinde die gevolgen enigszins te verzachten. In die zin vormt het thans toe te wijzen bedrag ook niet meer dan een pleister op de wonde waarbij rekening wordt gehouden met de beperkte financiële armslag van X ten tijde van de opzegging. Het bedrag aan wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de gevorderde datum van 29 oktober 2013 (datum inleidende dagvaarding).