Rechtspraak
X/Y
X vormde in 2004 (toen 63 jaar oud) tezamen met zijn echtgenote een vennootschap onder firma waarin hij in Purmerend in een gehuurde bedrijfsruimte een kleine winkel in tabakswaren en aanverwante zaken exploiteerde onder de naam Q. Y (toen 31 jaar oud) is in 2004 tezamen met haar echtgenoot toegetreden tot die vennootschap onder firma. Na een mislukte uitkoop, is uiteindelijk X in november 2011 voor 25 uur per week in dienst getreden van Y. Met toestemming van UWV is de arbeidsovereenkomst tegen 1 april 2013 opgezegd. Werknemer vordert € 97.200 schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Hij stelt dat hij en zijn vrouw terugvallen op enkel de AOW-uitkering. De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep, kort samengevat en voor zover thans relevant, als volgt overwogen. De arbeidsverhouding tussen X en Y was eind 2012 reeds ernstig verstoord. Dat heeft alles te maken met wat in de periode 2004 tot en met 2011 is voorgevallen en heeft korte tijd later tot een ontslagaanvraag geleid. Bij die ‘voorvallen’ komt nog de onnodige procedure met de verhuurder, die X had moeten voorkomen door zelf mee te werken aan een overdracht van de huur. Een en ander leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een valse of voorgewende reden. Wat het gevolgencriterium betreft staat voorop dat het enkele feit dat geen vergoeding is aangeboden het ontslag niet kennelijk onredelijk maakt.
Het hof oordeelt als volgt. Van een valse of voorgewende reden is geen sprake. Het is duidelijk dat alle voorvallen tussen 2004 en 2011 (vooral de mislukte inkoop/uitkoop in de vof) hebben gecumuleerd tot een verstoorde arbeidsverhouding. Het hof acht in dit verband van belang dat X ten tijde van het hem gegeven ontslag op 31 maart 2013 pas gedurende ruim een jaar, en dus zeer kort, bij Y in dienst was en bijna de leeftijd van 72 jaar had bereikt, dat zowel hij als zijn echtgenote op dat moment een AOW-uitkering genoten, dat hij daarnaast over een klein pensioen beschikte en dat hij bij de Kamer van Koophandel inmiddels een bedrijf had ingeschreven waarin hij markiezen wilde gaan vervaardigen. Voorts staat tussen partijen vast dat Y X op 21 december 2012 op non-actief heeft gesteld, dat X tot de datum waartegen Y de arbeidsovereenkomst met hem heeft opgezegd (31 maart 2013), niet meer heeft gewerkt en dat zijn salaris volledig (dus ruim drie maanden) is doorbetaald. Ten slotte wettigen de genoemde feiten en omstandigheden de conclusie dat het feit dat de arbeidsverhouding tussen hem en Y aan het einde van het jaar 2012 verstoord was, in overwegende mate aan X was te wijten. Op grond van een en ander, in onderling verband en samenhang beschouwd, moet worden geoordeeld dat ook de vraag of het ontslag op grond van het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onderdeel b BW kennelijk onredelijk is geweest, ontkennend moet worden beantwoord.