Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 22 december 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:3456
werknemer/GAC Netherlands Ltd
Werknemer (geboren 1957) is als bestuurder werkzaam geweest voor GAC (€ 9.996 bruto per maand). De AVA heeft werknemer ontslagen en een beëindigingsvergoeding toegekend van € 130.000 plus een vergoeding van € 43.200 bruto (het bedrag aan loon en vakantiegeld over de opzegtermijn). Werknemer heeft per juni 2013 voor twee dagen per week een opdracht bij United World Line. De rechtbank heeft de vordering van werknemer afgewezen en daarbij onder meer gewezen op het feit dat werknemer werk had en inkomsten genereerde bij UWL. Volgens werknemer heeft de rechtbank hiermee een verkeerde rechtsopvatting gehanteerd.
Het hof oordeelt als volgt. Naar vaste rechtspraak moet bij de beantwoording van de vraag of de gevolgen van het ontslag voor de werknemer, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij beëindiging van de dienstbetrekking, geoordeeld worden naar de omstandigheden zoals deze zich niet later dan het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden. Nadien intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank geoordeeld overeenkomstig voormelde, in de jurisprudentie ontwikkelde, regel. De rechtbank heeft niet geoordeeld, zoals werknemer lijkt te suggereren, dat, omdat hij inmiddels de overeenkomst van opdracht met UWL gesloten heeft, de financiële gevolgen van het ontslag voor hem minder klemmend waren. De rechtbank heeft enkel geoordeeld dat het feit dat werknemer niet al te lange tijd na zijn ontslag bij GAC met UWL de overeenkomst van opdracht is aangegaan, een indicatie oplevert voor hetgeen op het beoordelingsmoment kon worden verwacht: een periode van werkloosheid die te overzien was. Dat zo zijnde heeft de rechtbank, gelet ook op het feit dat werknemer een beëindigingsvergoeding is toegekend van € 130.000, het belang van GAC bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zwaarder laten wegen. In laatstgenoemde zin mocht de rechtbank (overeenkomstig vaste jurisprudentie) de overeenkomst van opdracht met UWL bij haar beslissing betrekken. Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende argumentatie, die het hof tot de zijne maakt.