Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 16 december 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:5977
werkgeefster/werknemer
Werknemer is sedert 22 mei 2000 in dienst bij werkgeefster, laatstelijk in de functie van trapsteller. Door of namens werkgeefster is aan werknemer verlof verleend om op donderdag 8 oktober 2015 om 16:00 uur zijn rijbewijs, waarvan hij de geldigheidsduur had laten verlengen, op te halen van het gemeentehuis te Beetsterzwaag. Op 8 oktober 2015 was werknemer voor werkgeefster werkzaam op een locatie te Hardinxveld-Giessendam. Werknemer heeft op een gegeven moment een collega telefonisch laten weten dat hij zijn klus, vanwege een tekort aan onderdelen, niet kon afmaken. Werknemer heeft vervolgens de instructies van collega niet opgevolgd. Werknemer is naar huis gereden om zijn rijbewijs te halen. Op 9 oktober 2015 is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer heeft werkgeefster laten weten het oneens te zijn met het ontslag op staande voet. Werkgeefster verzoekt nu om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Anders dan onder het tot 1 juli 2015 geldende recht dient een werknemer die op staande voet is ontslagen zich thans tot de kantonrechter te wenden met het verzoek om dit ontslag te vernietigen (art. 7:681 BW). In het onderhavige geval heeft werknemer werkgeefster bij brief van 14 oktober 2015 laten weten het oneens te zijn met het ontslag op staande voet. Naar aanleiding daarvan heeft werkgeefster een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend. Werknemer en werkgeefster hebben dus wat betreft de procedurele kant van de zaak kennelijk en per abuis de vóór 1 juli 2015 bestaande praktijk voor ogen gehad. Gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken dient het verweer van werknemer tegen het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van werkgeefster als een zelfstandig (tegen)verzoek ex artikel 7:681 BW te worden aangemerkt. Het door werkgeefster aan werknemer op staande voet gegeven ontslag is gebaseerd op de stelling van werkgeefster dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering. De omstandigheid dat werknemer zich op 8 oktober 2015 niet heeft afgemeld en zonder voorafgaande kennisgeving aan werkgeefster al rond het middaguur naar huis is gegaan, rechtvaardigt niet een op staande voet gegeven ontslag. Vast staat immers dat werkgeefster werknemer verlof had verleend om hem in staat te stellen om op 8 oktober 2015 tijdig aanwezig te kunnen zijn in het gemeentehuis te Beetsterzwaag, om zijn rijbewijs op te halen. Van werkweigering was dus geen sprake. Dat (de planning van) werkgeefster op 8 oktober 2015 niet op de hoogte was van het eertijds aan werknemer verleende verlof en werknemer op zijn beurt (de planning van) werkgeefster hier niet aan heeft (helpen) herinneren, maakt dit niet anders. Het op staande voet gegeven ontslag kan dus geen stand houden.
De kantonrechter stelt vast dat werkgeefster ter onderbouwing van de door haar aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde ontbindingsgronden in de kern genomen heeft verwezen naar het feitencomplex dat werkgeefster ook ten grondslag heeft gelegd aan het op staande voet gegeven ontslag, namelijk werkweigering. Nu van werkweigering geen sprake is zal het ontbindingsverzoek worden afgewezen. Weliswaar heeft werknemer de binnen werkgeefster geldende regels geschonden, door zich niet af te melden bij werkgeefster, maar deze omstandigheid is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat werknemer van werkgeefster toestemming had om eerder naar huis te gaan. Hoogstens is er sprake geweest van een miscommunicatie. Deze miscommunicatie, aan de zijde van beide partijen, rechtvaardigt niet een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het ontbindingsverzoek zal daarom worden afgewezen. In zijn verweerschrift heeft werknemer nog een aantal vorderingen ingesteld. De kantonrechter laat al deze vorderingen onbesproken en zal hierop niet beslissen. Werknemer moet hiervoor zelfstandige verzoeken indienen bij de kantonrechter.