Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 11 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:7586
werkneemster/werkgeefster
Werkneemster is op 7 juli 1999 in dienst van (de rechtsvoorganger van) werkgeefster getreden, laatstelijk in de functie van analist. Werkgeefster is een contractresearchorganisatie die onder meer kwaliteit en veiligheid van voedselbestanddelen, geneesmiddelen en chemische stoffen borgt en verbetert. Werkneemster verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met werkgeefster te ontbinden op grond van artikel 7:685 (oud) BW, onder toekenning van een vergoeding ten laste van werkgeefster van € 63.385,92 bruto. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat door toedoen van werkgeefster op dit moment geen grond meer is om tot een vruchtbare samenwerking te komen en dat de oorzaak daarvan volledig bij werkgeefster ligt. Werkgeefster voert verweer. In februari 2012 ontving werkgeefster een signaal van werkneemster dat een van haar mannelijke collega’s haar op een ongewenste manier heeft benaderd. De directe leidinggevende heeft meteen actie ondernomen. Zij is het gesprek met beide werknemers aangegaan, zowel individueel als gezamenlijk, en heeft duidelijke afspraken gemaakt om eventuele voorvallen in de toekomst te voorkomen. Na deze interventie heeft de leidinggevende ruim anderhalf jaar, te weten van februari 2012 tot en met augustus 2013, geen enkel signaal van werkneemster ontvangen dat haar collega zich niet aan de gemaakte afspraken zou houden, aldus het verweer van werkgeefster.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en artikel 7:646 BW mag de werkgever geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsomstandigheden. Het in deze artikelen neergelegde verbod houdt mede in een verbod op (seksuele) intimidatie. Uit lid 4 van artikel 1a WGB en uit lid 9 van artikel 7:646 BW leidt de kantonrechter af dat de werkgever niet alleen de werknemer die het slachtoffer wordt van deze gedragingen en dit gedrag afwijst, maar dat hij ook de werknemer die bovengenoemd gedrag lijdzaam ondergaat, moet beschermen. Beide artikelen zijn gegrond op Richtlijn 2000/78/EG, Richtlijn 2002/73/EG en Richtlijn 2004/113/EG. Mede op grond van voornoemde richtlijnen is de werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden de werknemer die getroffen wordt door (seksueel) intimiderende gedragingen van een andere werknemer adequaat te beschermen. Voldoende is aannemelijk geworden dat het tijdvak gelegen tussen augustus 2013 en 12 maart 2014 geen door werkgeefster zogenoemde ‘periode van stilte’ is geweest. De kantonrechter acht aannemelijk dat op een aantal momenten wel degelijk tot werkgeefster is doorgedrongen, dan wel had moeten doordringen, dat de mannelijke collega werkneemster nog steeds benaderde terwijl werkneemster daar nog steeds niet van gediend was. Werkneemster heeft immers in de tussenliggende periode contact gehad met werkgeefster, onder meer over een aantal aan werkneemster gerichte bedreigende e-mailberichten van haar mannelijke collega. Werkgeefster had dan ook op de hoogte moeten zijn. Ook indien zij niet door werkneemster op de hoogte zou zijn gebracht had zij zelf actiever dienen te vragen of het gedrag van de mannelijke medewerker was gestopt en ook gestopt was gebleven. De kantonrechter kan vervolgens, gelet op het voorgaande, begrip opbrengen voor het bericht van werkneemster aan werkgeefster van 19 mei 2014, waarin zij schrijft dat de situatie inmiddels zo lang heeft geduurd dat zij er persoonlijk een trauma aan heeft overgehouden met als gevolg een gevoel van onveiligheid en angst over de werkomgeving. Volgt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden, met toekenning van een vergoeding ter hoogte van € 63.385,92 bruto (C=2).