Rechtspraak
werknemer/Eriks B.V.
Werknemer is op 1 april 1989 in dienst getreden bij Eriks. Werknemer is van 7 september 2015 tot en met 18 september 2015 werkzaam geweest bij Exxon, een klant en opdrachtgever van Eriks. Op donderdag 17 september 2015 heeft de teamleider van collega’s berichten ontvangen dat werknemer bij Exxon zonder toestemming zogenoemde klemschalen zou hebben gedemonteerd en meegenomen. Vervolgens is werknemer op maandag 21 september 2015 op staande voet ontslagen.
Werknemer verzoekt toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Eriks voert verweer. In de zaak van het tegenverzoek wordt door Eriks verzocht werknemer te veroordelen tot betaling van een vergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of aan werknemer een billijke vergoeding moet worden toegekend. Toekenning van een billijke vergoeding is mogelijk als in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd. Vast staat dat werknemer niet heeft ingestemd met de opzegging door Eriks. Dat betekent dat moet worden beoordeeld of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Vast staat dat de teamleider op donderdag 17 september 2015 berichten heeft ontvangen over het meenemen van klemschalen en dat dit op vrijdag 18 september 2015 door werknemer is erkend. Werknemer is diezelfde dag op non-actief gesteld. Pas na intern overleg is besloten om werknemer op staande voet te ontslaan. Omdat die besluitvorming pas na de reguliere werktijd is afgerond, is het ontslag niet meer op diezelfde dag meegedeeld. Vervolgens is werknemer op 21 september 2015 op staande voet ontslagen. Gelet op deze gang van zaken heeft Eriks voldoende voortvarend gehandeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Eriks enige tijd mocht nemen voor onderzoek, intern overleg en besluitvorming over het ontslag, en dat tussen het moment waarop de dringende reden bekend is geworden aan Eriks en het moment waarop het ontslag is verleend, een weekend is gelegen, welk weekend niet tot de normale werktijd behoort bij Eriks. Eriks stelt terecht dat het zonder toestemming mee- en wegnemen door werknemer van de klemschalen bij Exxon en van ‘oud ijzer’ bij andere klanten een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. De omstandigheid dat de klemschalen en het ‘oud ijzer’ geen grote waarde vertegenwoordigen doet niet af aan de aard en ernst van de gedraging, mede gelet op het feit dat het meenemen van materialen al jaren gaande is. Zelfs als werknemer gedurende het dienstverband goed zou hebben gefunctioneerd leidt een afweging van de gevolgen van het ontslag en de persoonlijke omstandigheden van werknemer tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was. De verzoeken van werknemer worden afgewezen.
In de zaak van het tegenverzoek wordt Eriks niet-ontvankelijk verklaard. Uit artikel 7:686a lid 4 onderdeel a onder 2 BW volgt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen, vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van artikel 7:677 BW betreft. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 21 september 2015 en het verweerschrift van Eriks, waarin het zelfstandig tegenverzoek is opgenomen, is door de griffie van de rechtbank ontvangen op 7 december 2015. Het verzoek van Eriks is daarmee te laat ingediend.