Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 22 december 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:7773
werknemer/Stichting Eindhovens Christelijk Voortgezet Onderwijs
Werknemer is in dienst van Stichting Eindhovens Christelijk Voortgezet Onderwijs (hierna: ECVO) in de functie Hoofd Facilitaire Dienst. Medio december 2014 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 17 maart 2015 heeft ECVO werknemer geïnformeerd over een op handen zijnde reorganisatie. Werknemer is volledig hersteld per 20 juli 2015. Op 12 augustus 2015 heeft het UWV de volledige ontslagaanvraag op bedrijfseconomische gronden van ECVO ontvangen. Op 27 augustus 2015 heeft het UWV toestemming verleend om de arbeidsverhouding met werknemer op te zeggen. De arbeidsovereenkomst is vervolgens per 1 december 2015 opgezegd. Werknemer verzoekt primair te bepalen dat ECVO de arbeidsovereenkomst met werknemer herstelt of althans de dienstbetrekking per 1 december 2015 voortzet. Hij voert onder meer aan dat het UWV op onjuiste gronden heeft geconcludeerd dat er bedrijfseconomische redenen zijn om tot een beëindiging van de dienstbetrekking te komen. Subsidiair verzoekt werknemer te bepalen dat ECVO gehouden is het loon en de emolumenten aan te vullen tot 100% totdat hij ouderdomspensioen gaat ontvangen, dan wel ECVO te veroordelen om aan hem een billijke vergoeding te voldoen.
De kantonrechter oordeelt als volgt. ECVO heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden die er binnen haar organisatie liggen op het gebied van nieuwbouw en onderhoud inmiddels zodanig complex zijn dat zij daarvoor specialisten moet inhuren. Zij wijst in dat verband op de Europese aanbestedingsregels, kwaliteitscontrole nieuwbouw en de zeer geavanceerde installaties waarvan haar gebouwen zijn/worden voorzien. Dat er op dit gebied geen rol meer voor werknemer is weggelegd volgt in elk geval ten dele ook uit zijn eigen verklaring tijdens de mondelinge behandeling. De functie van werknemer is een unieke functie binnen ECVO, zodat het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is. Ter zitting is door werknemer erkend dat er binnen de organisatie van ECVO geen passende herplaatsingsmogelijkheden zijn. Voorts heeft ECVO voldoende aannemelijk gemaakt dat haar financiële situatie minder rooskleurig is dan de jaarrekening doet voorkomen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen heeft ECVO op redelijke gronden kunnen besluiten de functie van werknemer te laten vervallen. Het verzoek om de arbeidsovereenkomst te herstellen dan wel per 1 december 2015 voort te zetten wordt daarom afgewezen.
Vervolgens moet worden beoordeeld of er grond is om een billijke vergoeding toe te kennen ten laste van ECVO. De kantonrechter overweegt dat op verzoek van de sociale partners in de WWZ is voorzien in de mogelijkheid om bij cao af te wijken van de regeling inzake de transitievergoeding. Daarvan is in dit geval sprake. ECVO heeft onweersproken aangevoerd dat werknemer op basis van de CAO Voortgezet Onderwijs en de daarin opgenomen regeling recht heeft op een bovenwettelijke voorziening. Werknemer krijgt op basis van zijn leeftijd en dienstverband in het onderwijs uitzicht op een werkloosheids- en bovenwettelijke uitkering tot aan, in ieder geval, zijn 65ste jaar maar mogelijk tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd. De conclusie luidt dat het verzoek van werknemer tot vaststelling van een billijke vergoeding eveneens moet worden afgewezen.