Naar boven ↑

Rechtspraak

werkers/WHT monumenten b.v. en Pay for People B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 29 december 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:3820

werkers/WHT monumenten b.v. en Pay for People B.V.

Papieren arbeidsovereenkomst in casu een ‘schijnconstructie’. Uitzendovereenkomst niet aan de orde wegens ontbreken allocatiefunctie.

WHT is eigenaar van een aantal pakhuizen. In de tweede helft van 2011 zijn tussen WHT enerzijds en werkers anderzijds gesprekken gevoerd over de exploitatie van één of meer van die pakhuizen als horecagelegenheid door werkers dan wel door de vennootschap Club Lef XL B.V. waarover werkers de zeggenschap hadden. Op 21 december 2011 zijn twee overeenkomsten getekend waarbij werkers als werknemers van Pay for People (PFP) en WHT als opdrachtgever aan PFP optraden. In de overeenkomst is bepaald dat sprake is van een fase 2-overeenkomst in de zin van NBBU. Op 9 december 2011 is in pakhuis 15 een horecagelegenheid onder de naam Club Lef (hierna: het café) geopend. Werkers deden alle werkzaamheden aldaar. Uiteindelijk is Club Lef failliet gegaan. Werkers vorderen thans loon van PFP, stellende dat zij een arbeidsovereenkomst met haar hebben. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de overeenkomsten van 21 december 2011 ondanks de door partijen daaraan gegeven kwalificatie niet kunnen worden gezien als uitzendovereenkomsten in de zin van artikel 7:690 BW, nu PFP ten aanzien van deze overeenkomsten geen allocatiefunctie vervult/heeft vervuld. Volgens de kantonrechter kon geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst wegens het ontbreken van de gezagsverhouding, nu er niet onder leiding en toezicht van een derde arbeid werd verricht.

Het hof oordeelt als volgt. Ten onrechte heeft de kantonrechter uit het niet bestaan van een uitzendovereenkomst afgeleid dat evenmin sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat is onjuist. De schriftelijke overeenkomsten leveren ingevolge artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs op van het bestaan van arbeidsovereenkomsten. Behoudens tegenbewijs staan deze arbeidsovereenkomsten dus vast.

Als tegenbewijs hebben WHT en PFP aangevoerd dat in casu sprake is van een ‘schijnconstructie’. De arbeidsovereenkomsten zouden louter zijn aangegaan zodat werkers hun café konden exploiteren onder de vergunning van WHT. Aan deze bedoeling is ook uitvoering gegeven, doordat werkers volstrekt autonoom en zelfstand handelden. Op deze gronden houdt het hof het ervoor dat de schriftelijke overeenkomsten van 21 december 2011 de werkelijke bedoeling van partijen niet weergaven en inderdaad een ‘schijnconstructie’ waren. Daar zou niet aan afdoen dat WHT, omdat zij er belang bij had dat het café reeds open ging voordat het door WHT gewenste caféplein gerealiseerd kon worden, aan werkers als contraprestatie voor hun bereidheid om met hun vennootschap de exploitatie reeds ter hand te nemen, bepaalde toezeggingen zou hebben gedaan tot het verstrekken van een zekere omzet- of winstgarantie of tot betaling van een periodieke bijdrage in de exploitatiekosten.