Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/EMA Autobedrijven BV
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 9 februari 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:384

werknemer/EMA Autobedrijven BV

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Enkel de stellingen dat werknemer op zaterdag is gaan snowboarden en op die avond een feest heeft bezocht en op woensdagavond een afspraak heeft gemaakt in een geluidsstudio, zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat werknemer niet arbeidsongeschikt was.

Werknemer is sinds 24 juli 2012 in dienst bij EMA Autobedrijven BV (hierna: EMA). Op 2 november 2012 is hij op staande voet ontslagen. In eerste aanleg heeft werknemer in conventie vernietiging van het ontslag gevorderd. EMA heeft in reconventie onder meer gevorderd werknemer te veroordelen aan EMA te voldoen € 6.264 ten titel van gefixeerde schadevergoeding. Bovendien heeft EMA gevorderd te verklaren voor recht dat EMA zich ten aanzien van de aan werknemer bij het vonnis in conventie toegekende aanspraken terecht op verrekening beroept. In het vonnis in reconventie van 7 november 2013 heeft de kantonrechter deze vorderingen in reconventie aan EMA toegewezen. Vanwege het faillissement van EMA heeft de procedure in hoger beroep slechts betrekking op het vonnis in reconventie. De curator van EMA heeft aan de advocaat van werknemer medegedeeld dat hij geen beroep zal doen op het vonnis in eerste aanleg. Werknemer vordert desondanks in hoger beroep om EMA alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen in reconventie, althans haar deze alsnog te ontzeggen. Werknemer heeft gesteld dat hij namelijk nog een belang heeft bij het hoger beroep, te weten dat een oordeel wordt gegeven over de vraag of het aan hem gegeven ontslag op staande voet terecht was gegeven. Immers, de uitkering van werknemer is geweigerd vanwege het feit dat een ontslag op staande voet is gegeven en voor het UWV zal minimaal een beslissing van het hof noodzakelijk zijn.

Het hof oordeelt als volgt. Gelet op de bepalingen waarop de veroordeling in eerste aanleg van werknemer tot betaling van € 6.264 aan gefixeerde schadevergoeding kennelijk is gebaseerd, te weten artikel 7:677 lid 3 en lid 4 (oud) BW, dient onderzocht te worden of er sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 (oud) BW. EMA heeft het ontslag op staande voet gegrond op werkweigering van werknemer, omdat werknemer op of omstreeks maandag 29 oktober 2012 niet ziek was en desondanks niet heeft gewerkt. Werknemer heeft echter voldoende onderbouwd dat hij door ziekte arbeidsongeschikt was om te werken. Uit de feiten en stukken blijkt immers dat de adviseur van arbodienst ARGO advies op 25 oktober 2012 van mening is dat werknemer reële beperkingen heeft en dat volgens dezelfde adviseur werknemer de werkzaamheden niet aan kon en dat er een re-integratietraject zou moeten worden gestart. Enkel de stellingen van EMA, dat werknemer op zaterdag is gaan snowboarden en op die avond een feest heeft bezocht en op woensdagavond een afspraak heeft gemaakt in een geluidsstudio, zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat werknemer niet arbeidsongeschikt was om bij EMA te werken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat EMA onvoldoende heeft gesteld om een dringende reden wegens werkweigering aan te kunnen nemen. Volgt vernietiging van het vonnis in reconventie, voor zover het betreft de veroordeling tot betaling van € 6.264 schadevergoeding en de verklaring voor recht dat EMA zich op verrekening mag beroepen.