Naar boven ↑

Rechtspraak

NVZ Vereniging van Ziekenhuizen/ondernemingsraad NVZ Vereniging van Ziekenhuizen
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 februari 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:717

NVZ Vereniging van Ziekenhuizen/ondernemingsraad NVZ Vereniging van Ziekenhuizen

Geen vervangende toestemming ex artikel 27 lid 4 WOR voor aanpassing rechtspositiereglement. Branchevereniging niet-ontvankelijk. Rechtspositiereglement in dit geval niet aan te merken als regeling in de zin van artikel 27 lid 1 WOR.

NVZ Vereniging van Ziekenhuizen (hierna: NVZ) is de branchevereniging voor algemene ziekenhuizen en categorale zorginstellingen. NVZ valt niet onder de werkingssfeer van een cao. Teneinde de rechtspositie van haar werknemers te regelen is NVZ met de ondernemingsraad NVZ Vereniging van Ziekenhuizen (hierna: OR) een rechtspositiereglement overeengekomen, laatstelijk op 15 november 2011. De CAO Ziekenhuizen vormt de basis van het rechtspositiereglement. In de preambule van voornoemd reglement is onder meer opgenomen dat wijzigingen ervan alleen met instemming van de OR tot stand komen. Tevens is in het rechtspositiereglement een wachtgeldregeling opgenomen. Met ingang van 1 maart 2014 is de CAO Ziekenhuizen 2014-2016 in werking getreden. In de cao is de wachtgeldregeling komen te vervallen. In plaats daarvan kent de cao een zogenoemde activeringsregeling voor boventallig verklaarde en ontslagen werknemers, onder meer bestaande uit een regeling omtrent de aanvulling op een WW-uitkering, met een maximumduur van 38 maanden. De nieuwe cao voorziet tevens in salarisverhogingen. NVZ en de OR hebben naar aanleiding daarvan vanaf medio 2015 met elkaar gesproken over aanpassing van het rechtspositiereglement. Partijen hebben hierover geen overeenstemming kunnen bereiken. NVZ heeft desondanks besloten om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 de salarisverhoging, zoals die in de cao is overeengekomen, aan haar werknemers uit te betalen. NVZ verzoekt de kantonrechter op grond van artikel 27 lid 4 WOR om vervangende instemming om artikel 10 van het rechtspositiereglement opnieuw vast te stellen in die zin dat de maximale duur van de aanvulling op een WW-uitkering voor alle werknemers maximaal 38 maanden bedraagt. De OR stelt zich op het standpunt dat NVZ in haar verzoek niet-ontvankelijk is.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In het onderhavige geschil gaat het niet om een van de in artikel 27 lid 1 WOR opgesomde regelingen. NVZ verzoekt immers om vervangende toestemming voor de verlangde wijziging van het met de OR overeengekomen rechtspositiereglement. De enkele omstandigheid dat de voorgestelde wijziging van de wachtgeldregeling materieel mogelijk als een regeling op het gebied van het ontslagbeleid kan worden beschouwd, zijnde een van de regelingen uit de opsomming van artikel 27 lid 1 WOR, brengt in de formele status van het rechtspositiereglement geen verandering. Het rechtspositiereglement kan tevens niet worden aangemerkt als een ondernemingsovereenkomst in de zin van artikel 32 lid 2 WOR, waardoor ook via die route geen vervangende toestemming aan de kantonrechter kan worden gevraagd. NVZ en de OR zijn jegens elkaar in een positie komen te staan die gelijkenis vertoont met die waarin een werkgever(sorganisatie) en een vakbond verkeren bij de onderhandeling over een cao. Dat is een wezenlijk andere verhouding dan die welke onder de vigeur van de WOR bestaat tussen ondernemer en OR. Waar daar de gerechtvaardigde behoefte bestaat om een voorgenomen besluit van de ondernemer inzake het sociale beleid aan de rechter ter beslechting voor te leggen, ontbreekt deze mogelijkheid in de verhouding tussen (quasi-)cao-partijen. Partijen hebben daarbij uiteraard wel de mogelijkheid om met elkaar overeen te komen dat een derde, bijvoorbeeld een rechter, kan worden gevraagd om vervangende toestemming te geven voor een wijziging van het rechtspositiereglement ingeval ondernemer en ondernemingsraad geen overeenstemming bereiken, maar dat hebben NVZ en de OR in het rechtspositiereglement niet gedaan. Dat reglement voorziet wél in een interpretatiecommissie, aan welke uitleggeschillen kunnen worden voorgelegd, maar niet in een rechtsgang als die van artikel 27 lid 4 WOR. Voor de kantonrechter is daarom in een geding als het onderhavige geen rol weggelegd. NVZ wordt in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard.