Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X Grondwerken B.V.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 23 februari 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:636

werknemer/X Grondwerken B.V.

Schade aan verhoogde bedrijfswagen na inrijden parkeergarage met uitdrukkelijke waarschuwing maximale hoogte 2 meter, is niet bewust roekeloos. Werkzaamheden in de uitoefening van de arbeidsovereenkomst, ook al was er geen opdracht de parkeergarage in te rijden.

Werknemer is via Tempo Team uitgezonden om bij X Grondwerken werkzaamheden te verrichten. X heeft werknemer opgedragen aan het einde van de dag de verhoogde bestelbus mee naar huis te nemen (zodat de bedrijfswagen niet op het onbeheerde bedrijfsterrein hoefde achter te blijven). Werknemer wilde de wagen parkeren op een parkeerplaats bij een zwembad. Bij het inrijden stond meermalen aangegeven dat de maximale hoogte 2 meter bedroeg. Werknemer is omstreeks 16:45 uur met de bedrijfswagen onder de doorgang van maximaal 2 meter doorgereden. Doordat de bedrijfswagen te hoog was om onder de doorgang te rijden, is er schade aan de bedrijfswagen ontstaan. Volgens X komt werknemer geen beroep toe op artikel 7:661 BW omdat hij niet de kortste route naar huis heeft genomen, maar voor privédoeleinden naar een zwembad is gereden. Bovendien is het tot twee keer toe negeren van een waarschuwingsbord bewust roekeloos handelen. Volgens de kantonrechter was dit laatste het geval.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan, en valt uit de feiten en omstandigheden ook niet af te leiden, dat werknemer zich direct voorafgaand aan het inrijden van de doorgang, bewust is geweest van het feit dat de bestelauto waarin hij reed, wellicht te hoog was voor de doorgang. De feiten en omstandigheden wijzen er veeleer op dat werknemer de waarschuwingsborden ter zake de doorrijhoogte over het hoofd heeft gezien althans niet bewust heeft waargenomen, en dat werknemer zich bij het inrijden van de doorgang in het geheel niet realiseerde dat de bedrijfsauto waarin hij zich bevond, wellicht of waarschijnlijk te hoog was om onder de doorgang door te rijden. Het handelen van werknemer bij het inrijden van de doorgang was zonder meer onjuist, maar dat is onvoldoende om van bewuste roekeloosheid in de zin van artikel 7:661 BW te kunnen spreken. Het hof tekent hierbij aan dat artikel 7:661 BW ertoe strekt dat de werknemer als sociaal-economisch zwakkere partij (behoudens opzet of bewuste roekeloosheid) niet de schade van een eventuele onzorgvuldige taakuitoefening hoeft te dragen, mede gezien het ervaringsfeit dat het regelmatig verkeren in een bepaalde werksituatie ertoe kan leiden dat de werknemer minder voorzichtig zal worden dan ter voorkoming van ongevallen raadzaam is. Het is (behoudens opzet en bewuste roekeloosheid van de werknemer) daarom de werkgever die de lusten en lasten van de opgedragen werkzaamheden moet dragen. Dat is ook aan de orde in het onderhavige geval. De omstandigheden, waaronder het feit dat het ongeval plaatsvond aan het eind van of direct na een werkdag en het feit dat werknemer nog betrekkelijk weinig ervaring had in het rijden met de verhoogde bedrijfsauto, wijzen niet op bewust roekeloos handelen in de zin van artikel 7:661 BW.

Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting moet het er daarom voor gehouden worden dat werknemer, terwijl hij op weg was van het bedrijf van X naar huis, het parkeerterrein bij het zwembad is opgereden om veilig een telefonische oproep te beantwoorden. Het beantwoorden van die telefonische oproep vond dus plaats tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, te weten tijdens het op verzoek van X uitgevoerde transport van de bedrijfsauto naar het adres van werknemer. Aan X kan worden toegegeven dat werknemer op het moment dat zijn telefoon ging, beter een andere keuze had kunnen maken. Werknemer had misschien een parkeerplek kunnen kiezen die eenvoudiger te bereiken was, zodat hij niet het bewuste parkeerterrein achter het zwembad had hoeven op te rijden. Werknemer had er ook voor kunnen kiezen om de telefonische oproep pas te beantwoorden nadat hij thuis was gearriveerd, hetgeen gelet op de beperkte afstand een kwestie van enkele minuten zou zijn geweest. In zoverre heeft werknemer dus wellicht onjuist gehandeld. Dat laat echter onverlet dat dit handelen heeft plaatsgevonden bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:661 BW. Het handelen vond plaats tijdens het op verzoek van X uitgevoerde transport van de bedrijfsauto naar het adres van werknemer. Dat brengt mee dat ook voor dit handelen (de wellicht onjuiste keuze om de telefonische oproep meteen te beantwoorden en om die reden het parkeerterrein bij het zwembad op te rijden) de maatstaf van artikel 7:661 BW geldt, en werknemer alleen aansprakelijk is voor de schade die uiteindelijk door dit handelen is ontstaan, als dat handelen als opzet of bewuste roekeloosheid kan worden gekwalificeerd. Daarvan is naar het oordeel van het hof geen sprake. Niet gezegd kan worden dat het parkeren van de auto op het parkeerterrein achter het zwembad om de telefonische oproep te beantwoorden, een bewust roekeloze handeling was.