Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 februari 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:649
Ondernemingsraad gemeente Amsterdam stadsdeel Zuid
Binnen de ondernemingsraad van de gemeente Amsterdam stadsdeel Zuid (hierna: OR) is een conflict ontstaan tussen enerzijds de leden van de Vrije Lijst en de Lijst AbvaKabo en anderzijds de leden van de Lijst Vooruitzien. Per 1 januari 2015 zijn drie leden van de Lijst Vooruitzien als lid van de OR geschrapt. Aan deze drie OR-leden is meegedeeld dat zij van rechtswege geen OR-lid meer waren. In hun plaats zijn nieuwe leden aangewezen op grond van de reservelijst, allen behorend tot de Vrije Lijst en de Lijst Abvakabo. Per 16 maart 2015 zijn de overgebleven drie leden van de Lijst Vooruitzien uit zichzelf opgestapt, waarna wederom drie leden van de reservelijst zijn aangewezen, allen behorende tot de Vrije Lijst en de Lijst AbvaKabo. De OR heeft de gemeente verzocht de zes nieuwe leden van de OR faciliteiten als ondernemingsraadlid toe te kennen. De gemeente heeft dit verzoek niet ingewilligd. De OR heeft in eerst aanleg gevorderd te bepalen dat de gemeente (1) de als nieuw lid aangewezen personen op de gebruikelijke wijze als ondernemingsraadlid faciliteert, (2) het tussen de gemeente en de OR gesloten convenant onverkort toepast en (3) zich onthoudt van ondermijning van de medezeggenschap door nakoming van de gemaakte mediationafspraken. De kantonrechter heeft de gevorderde voorzieningen afgewezen. Tegen deze beslissing komt de OR in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Het reglement van de OR bepaalt in artikel 44 lid 1 dat in geval van een tussentijdse vacature de OR tot opvolger van het betrokken lid aanwijst de kandidaat die blijkens de uitslag van de laatstgehouden verkiezing daarvoor als eerste in aanmerking komt. Bij een lijstenstelsel zoals de OR bij verkiezingen hanteert, is dat degene die voor een zetel in aanmerking zou komen wanneer de lijst waaraan de uitvaller was verbonden, de Lijst Vooruitzien, bij de verkiezingen een zetel meer zou hebben verkregen. De OR voert aan dat er geen kandidaten meer over zijn op de Lijst Vooruitzien zodat dient te worden teruggevallen op kandidaten van de overige lijsten. Het hof gaat daarin niet mee. Artikel 44 lid 3 bepaalt dat indien er geen opvolger is als bedoeld in lid 1, in de vacature wordt voorzien door het houden van tussentijdse verkiezingen, terwijl lid 4 van bedoeld artikel de mogelijkheid opent om in overleg met de bestuurder de vacature op een andere wijze in te vullen. Het hof is van oordeel dat de OR een van deze twee wegen had dienen te bewandelen, temeer omdat sprake was van grote onmin tussen de leden van de diverse lijsten, welke onmin ook volgens de OR als achtergrond had de verschillen in achterban van de lijsten en verschil in inzicht over de wijze van samenwerking met de bestuurder. De handelwijze van de OR is zodanig in strijd met het eigen reglement en met het beginsel dat een ondernemingsraad een afspiegeling dient te zijn van alle personeelsleden, dat de gemeente niet gehouden kan worden daaraan medewerking te verlenen door de aldus aangewezen leden te faciliteren. Wat betreft de tweede vordering van de OR is het hof van oordeel dat deze vordering zoals door de OR geformuleerd te weinig concreet is om toewijsbaar te zijn. Voor zover de OR bedoelt dat de gemeente een ambtelijk secretaris aan hem moet toewijzen, overweegt het hof dat de gemeente ten aanzien hiervan voldoende aan haar verplichtingen heeft voldaan. In maart 2015 is immers een interne werving opgestart voor een nieuw ambtelijk secretaris. Voor zover de OR doelt op het vastleggen van een budget voor het jaar 2015, is er geen aanleiding op dit punt een voorziening te treffen. Op grond van artikel 22 WOR komen weliswaar de redelijke kosten van de OR ten laste van de gemeente, maar het is ingevolge lid 3 van voornoemd artikel aan de gemeente voorbehouden of zij besluit een naar eigen inzicht te besteden budget aan de OR ter beschikking te stellen. Ook het convenant verplicht de gemeente daartoe niet. Voorts is uit de stukken voldoende aannemelijk geworden dat de OR in 2014 het door de gemeente toegekende budget aanzienlijk heeft overschreden. De gemeente heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten voor 2015 niet een naar eigen inzicht te besteden budget vast te stellen. Tot slot is ook de derde vordering te weinig concreet van aard om toewijsbaar te zijn. Volgt afwijzing van de gevorderde voorzieningen.