Naar boven ↑

Rechtspraak

Sowdan B.V./werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 24 februari 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:1322

Sowdan B.V./werknemer

Afwijzing verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst algemeen directeur. Geen voldragen g-grond of h-grond. Arbeidsovereenkomst is niet inhoudsloos geworden, omdat werknemer geen bestuurder is. Exhibitieplicht.

Op 3 juli 2015 is Sowdan B.V. opgericht. De persoonlijke holdings van werknemer en K, Sjorsianen Holding B.V. (hierna: Sjorsianen) respectievelijk Warandehoning Holding B.V. (hierna: Warandehoning), zijn benoemd tot bestuurders. Werknemer heeft met Sowdan een arbeidsovereenkomst gesloten, op grond waarvan hij werkzaam is in de functie Algemeen Directeur. Sowdan verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ten eerste stelt zij dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Ten tweede stelt Sowdan dat sprake is van andere omstandigheden in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub h BW. Werknemer verzoekt ex artikel 843a Rv om hem binnen twee dagen na betekening van deze beschikking afschriften te verstrekken van de volledige e-mailcorrespondentie die namens het bestuur van Sowdan over de periode 6 november 2015 tot en met 5 januari 2015 is verstuurd.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ten aanzien van de verstoorde arbeidsrelatie wordt overwogen dat Sowdan werknemer met name verwijt dat hij zich in de dagen na 4 november 2015 de originele administratie van Sowdan heeft toegeëigend en de sourcecode heeft opgevraagd, welke onbeveiligd aan hem is toegezonden. De verwijten die Sowdan maakt ten aanzien van het functioneren van werknemer, alsook haar eigen bedrijfseconomische omstandigheden, kunnen niet bijdragen aan de vaststelling dat sprake is van een grond voor opzegging in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW, behalve voor zover zij een verstoring van de arbeidsverhouding teweeg hebben gebracht. Op dit punt dient immers sec de (mate van) verstoring van de arbeidsverhouding te worden beoordeeld. De recente correspondentie tussen partijen geeft  geen blijk van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Evenmin acht de kantonrechter de door Sowdan aangedragen voorvallen in de week van 4 tot 11 november 2015 van dusdanige ernst dat daardoor een zodanig verstoorde arbeidsverhouding moet zijn ontstaan. Kwalijk acht de kantonrechter de plotselinge telefonische ontslagaanzegging in voormelde nacht, gevolgd door een toelichting per e-mail waarin een zich kennelijk toch niet voordoende ontslagreden wordt aangedragen. Werknemer heeft verklaard zich daarover heen te kunnen zetten en herstel van de arbeidsverhouding desondanks mogelijk te achten. Mede gelet op die constructieve intentie moet het naar het oordeel van de kantonrechter mogelijk zijn om de verhoudingen te normaliseren, hetgeen in redelijkheid ook van Sowdan mag worden verlangd. Het verzoek is dan ook niet toewijsbaar op de g-grond.

Sowdan beroept zich voorts op de ‘restgrond’ van artikel 7:669 lid 3 sub h BW. Met werknemer is de kantonrechter van oordeel dat het standpunt van Sowdan dat werknemer niet de benodigde capaciteiten bezit voor de door hem vervulde functie niet anders kan worden gezien dan een verwijt dat onder de d-grond van artikel 7:669 lid 3 BW valt. Nu het ontbindingsverzoek niet is gegrond op de d-grond, hoeven die stellingen van Sowdan verder geen bespreking. Afzonderlijk daarvan wijst Sowdan op de omstandigheid dat Sjorsianen als bestuurder is ontslagen, waarbij zij verwijst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad in die gevallen. Daarbij doelt zij kennelijk op de – onder het oude ontslagrecht gewezen – zogeheten 15 april-arresten (HR 15 april 2005, JOR 2005/144, HR 15 april 2005 JOR 2005/145). Overwogen wordt dat werknemer is aangesteld als algemeen directeur. Gesteld noch gebleken is dat in zijn arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden uit die functie zijn gelijkgesteld aan de werkzaamheden van de bestuurder van de vennootschap. Sowdan heeft voorts, gelet op de betwisting daarvan door werknemer, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om te concluderen dat werknemer desondanks louter werkzaamheden verrichtte waarvoor hij eveneens (indirect) de functie van bestuurder diende te bekleden. Werknemer heeft daarentegen onweersproken gesteld dat hij zijn werkzaamheden kan blijven uitoefenen onder K als indirect statutair bestuurder. Daarmee is niet vast komen te staan dat de arbeidsovereenkomst van werknemer inhoudsloos is geworden. Het verzoek om ontbinding wordt afgewezen.

Werknemer stelt verder dat zijn loon onder het wettelijk minimumloon lag, waardoor hij een loonvordering op Sowdan heeft. Werknemer heeft niet weersproken dat slechts een bedrag van € 409,64 bruto achterstallig was en hij erkent dat dat inmiddels is uitbetaald. Daarmee staat vast dat aan dat verzoek inmiddels is voldaan, zodat het zal worden afgewezen. Het verzoek tot betaling van de wettelijke rente zal worden toegewezen. Overwogen wordt dat werknemer zijn arbeidsovereenkomst heeft gesloten met Sowdan, waarvan hij op dat moment medebestuurder was. Werknemer heeft daarmee (indirect) met zichzelf zijn loon bepaald op een niveau onder het minimumloon. De wettelijke verhoging wordt daarom gematigd tot nihil. Gelet op het voorgaande is werknemer op basis van de huidige stukken nagenoeg volledig in het gelijk gesteld. Om die reden bestond geen aanleiding eerst te beslissen op het verzoek ex artikel 843a Rv en de procedure aan te houden. Dat laat echter onverlet dat werknemer nog steeds belang kan hebben bij de door hem gevraagde stukken. Door Sowdan is echter gesteld dat zij alle gevraagde bescheiden reeds heeft verzonden. Werknemer heeft daarop erkend een duizendtal e-mails te hebben ontvangen. Hij heeft geen gelegenheid gehad die te bestuderen, maar is er zeker van dat er stukken ontbreken. Nu hij echter onvoldoende concreet heeft gesteld welke stukken dat dan zijn, heeft hij de stelling van Sowdan dat zij reeds aan het verzoek heeft voldaan onvoldoende weersproken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.