Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 maart 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:1130
Capgemini Nederland B.V./werknemer
Capgemini heeft een ontbindingsverzoek ingediend. Partijen verschillen van mening over de relatieve bevoegdheid.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Sinds de inwerkingtreding van de WWZ bepaalt artikel 7:686a lid 9 BW dat verzoeken op grond van afdeling 9 van titel 10 van Boek 7 BW, daaronder een werkgeversverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b BW, moet worden gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 Rv bevoegde kantonrechter. Partijen twisten over de vraag of de rechter van de plaats waar de arbeid laatstelijk gewoonlijk werd verricht (in de zin van art. 7:686a lid 9 BW jo. art. 100 Rv) Utrecht - zoals Capgemini meent - of Amsterdam - zoals werknemer stelt - is. Vast staat dat werknemer sinds jaar en dag zijn werkzaamheden voor (de rechtsvoorganger van) Capgemini in Amsterdam heeft verricht. Capgemini stelt zich op het standpunt dat in de gewoonlijke arbeidsplaats verandering is gekomen doordat werknemer in de loop van 2015 zijn werkzaamheden voor Capgemini in haar vestiging te Utrecht is gaan verrichten. Tot deze wijziging van de werkplek heeft Capgemini na ziekmelding door werknemer en met het oog op diens re-integratie besloten. Geoordeeld wordt dat geen verandering is gekomen in de plaats waar de arbeid laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Bij de vraag naar de gewoonlijke arbeidsplaats speelt niet alleen de duurzaamheid van de arbeidsverrichting op een bepaalde plaats, maar ook de beweegreden voor de keuze van die plaats een rol. Tegenover de tijd die werknemer in Amsterdam heeft gewerkt valt de periode dat hij in Utrecht heeft gewerkt in het niet, terwijl de plaatsing in Utrecht verband hield met de - naar zijn aard tijdelijke - re-integratie van werknemer. Aan die plaatsing is inmiddels, met de op non-actiefstelling, alweer een einde gekomen toen Capgemini eind januari 2016 meende dat werknemer weer hersteld was. Het voorgaande wordt niet anders doordat werknemer in zijn eerdere verzoekschrift van 26 juni 2015 heeft gesteld dat hij gewoonlijk werkzaam was op de vestiging van Capgemini te Utrecht. De gemachtigde heeft ter zitting van 1 maart 2016 verklaard dat dit een vergissing was en in de eerdere ontbindingsprocedure ook geen rol speelde, omdat de kantonrechter te Utrecht in dat geding bevoegd was op grond van artikel 7:685 lid 3 (oud) BW juncto artikel 99 lid 1 Rv. De kantonrechter oordeelt dat aan die - volgens werknemer abusievelijke - stelling in de eerdere ontbindingsprocedure thans geen betekenis toekomt. Het stond hem vrij om daarop in het onderhavige geding terug te komen. De kantonrechter te Utrecht is niet bevoegd van het geschil kennis te nemen en daarover te beslissen. De zaak moet daarom worden verwezen naar de kantonrechter die wél relatief bevoegd is. In dat verband is het aan Capgemini, als verzoekster, om te kiezen tussen toepassing van artikel 99 lid 1 Rv (op grond waarvan de kantonrechter te X bevoegd zou zijn) en artikel 100 Rv (dat tot bevoegdheid van de kantonrechter te Amsterdam leidt). Dat zij als verzoekster deze keuzemogelijkheid heeft volgt uit het gebruik van het woord ‘mede’ in artikel 100 Rv, dat wijst op een alternatieve bevoegdheid van de rechter van de gewoonlijke arbeidsplaats naast de rechter van de woonplaats van werknemer. Capgemini heeft ter zitting geopteerd voor toepassing van artikel 99 lid 1 Rv en verzocht om verwijzing naar de kantonrechter te X . Dit brengt mee dat artikel 100 Rv buiten toepassing blijft.