Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 maart 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:1913
Vereniging voor Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en Omstreken/werknemer
Werknemer is sinds 23 augustus 1982 in dienst bij CVO. Werknemer is thans docent wiskunde en decaan van de mavo-tak binnen het Scala (een vestiging van een tot het CVO behorende scholengroep). Bij vonnis van 11 december 2015 heeft de Rechtbank Rotterdam werknemer veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk, vanwege het in bezit hebben en het verwerven van kinderpornografisch materiaal alsook het heimelijk filmen van derden in zijn woning. CVO verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Daarbij stelt CVO dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, zodat geen rekening hoeft te worden gehouden met de opzegtermijn. De ernstig verwijtbare handelwijze van werknemer brengt ook met zich dat hem geen transitievergoeding dient toe te komen alsook dat hij geen aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wovo. Het Besluit overgangsrecht transitievergoeding dient in zoverre eveneens buiten toepassing te blijven, aldus CVO. Het verweer van werknemer strekt primair tot afwijzing van het verzoek.
Met CVO is de kantonrechter van oordeel dat werknemer als docent een voorbeeldfunctie heeft te vervullen naar de minderjarige scholieren van CVO toe en dat een strafrechtelijke veroordeling voor het bezit van kinderporno en het heimelijk filmen van derden zich niet verdraagt met die functie, te minder nu de pornografische filmopnamen zien op sekspartners tussen de 18 en 21 jaar. De mogelijkheid dat het opzetverweer van werknemer in hoger beroep zal slagen en hij zal worden vrijgesproken van het bezit van kinderporno, maakt het voorgaande niet anders. Ongeacht de vraag of werknemer al dan niet met opzet in het bezit is gekomen van het materiaal, heeft werknemer ieder geval met de bezoeken van dergelijke sites en het daarbij downloaden van materiaal het aanmerkelijke risico genomen dat hij tevens kinderpornografisch materiaal zou binnenhalen. Dat hij vervolgens als gevolg daarvan strafrechtelijk is vervolgd en CVO daardoor negatief in het nieuws is gekomen, is een omstandigheid die werknemer is aan te rekenen. Niet valt in te zien hoe CVO het aanhouden van werknemer als docent onder die omstandigheden kan verantwoorden richting de leerlingen en hun ouders. Voorts wordt in aanmerking genomen dat werknemer zich niet als goed werknemer heeft gedragen door CVO in het geheel niet in te lichten over het strafrechtelijk onderzoek dat tegen hem liep. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 7:671b lid 1 onderdeel a jo. 7:669 lid 3 onderdeel e BW. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van werknemer - zijn lange dienstverband, waarin hij altijd goed heeft gefunctioneerd en de geschetste financiële gevolgen bij een einde van zijn dienstverband - en in aanmerking nemende dat de handelingen van werknemer waarvoor hij veroordeeld is, zich uitsluitend in privésfeer hebben afgespeeld en geen enkel verband houden met CVO, is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer. De arbeidsovereenkomst wordt met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onderdeel a BW ontbonden met ingang van 1 mei 2016.
Uit artikel 2 lid 1 van het Besluit overgangsrecht transitievergoeding volgt dat de transitievergoeding niet is verschuldigd, indien een werknemer op grond van collectieve afspraken recht heeft op een vergoeding of voorziening. Vast staat dat de Wovo-uitkering bij werkloosheid waarin de cao voorziet, een vergoeding of voorziening is als bedoeld in het artikel van dat besluit. Hieruit volgt dat een werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding als hij recht heeft op een uitkering krachtens de Wovo. Nu het evenwel in eerste instantie aan het UWV is voorbehouden om te beslissen of aan werknemer een WW-uitkering toekomt en het recht op een Wovo-uitkering daaraan gerelateerd is, komt de kantonrechter niet toe aan een beoordeling ten aanzien van de bovenwettelijke vergoeding en is de in dat verband verzochte verklaring voor recht niet toewijsbaar. Aangezien het eventuele recht op een transitievergoeding afhangt van de vraag of er recht bestaat op een Wovo-uitkering, kan thans niet worden beslist op de verzochte verklaring voor recht dat CVO geen transitievergoeding is verschuldigd. Om die reden wordt ook dit verzoek afgewezen.