Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/CAC
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 22 maart 2016
ECLI:NL:GHSHE:2016:1083

werkneemster/CAC

Pensioengerechtige leeftijd in pensioenontslagbeding duidt op AOW-leeftijd en niet gewijzigde (aanvullend) pensioenleeftijd in pensioenovereenkomst.

(Zie ook AR 2016-0314.) Werkneemster is op 1 december 1993 bij de rechtsvoorganger van SAP in dienst getreden. De functie van werkneemster is Integrated Marketing Senior Specialist. Artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst van 20 december 2012 luidt als volgt: ‘De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. De arbeidsovereenkomst eindigt echter in elk geval van rechtswege bij het bereiken van de op dat moment geldende pensioengerechtigde leeftijd’ (hierna: het pensioenontslagbeding). In het Arbeidsreglement 2012 van SAP is bepaald dat de pensioengerechtige leeftijd 65 jaar bedraagt. In 2014 zijn de pensioenovereenkomst en het Arbeidsreglement gewijzigd, in die zin dat voortaan de pensioengerechtigde leeftijd 67 jaar bedraagt. Volgens SAP eindigt de arbeidsovereenkomst van werkneemster op basis van het pensioenontslagbeding bij het bereiken van de AOW-leeftijd (en niet pas bij 67 jaar). SAP heeft voorwaardelijk de arbeidsovereenkomst opgezegd. De centrale vraag die partijen verdeeld houdt is of de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd bij het bereiken van de AOW-leeftijd van werkneemster. Werkneemster heeft wedertewerkstelling gevorderd. De kortgedingrechter heeft deze vordering afgewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Volgens SAP is met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ bedoeld de AOW-leeftijd. Volgens werkneemster is met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ bedoeld de leeftijd waarop zij volgens het pensioenreglement recht heeft op aanvullend ouderdomspensioen. Geen van partijen heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming van de overeenkomst van 20 december 2012 is gesproken over het pensioenontslagbeding. Het hof leidt uit de bewoordingen waarin het pensioenontslagbeding is gesteld (zie m.n. de passage ‘de op dat moment geldende pensioengerechtigde leeftijd’) voorshands af dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet afhankelijk kon zijn van de wil van een van de partijen. Uit de AOW volgt objectief wat de pensioengerechtigde leeftijd is. Daarop is geen invloed mogelijk. In pensioenregelingen is het (ook voordat de AOW-leeftijd werd gewijzigd en ongeacht hoe de voorheen bij werkneemster geldende pensioenregeling luidde) niet ongebruikelijk dat een werknemer wél invloed kan uitoefenen op de ingangsdatum van het aanvullend ouderdomspensioen. Ook is niet ongebruikelijk dat pensioenregelingen worden gewijzigd. Dat alles maakt dat het minder voor de hand ligt dat met de term ‘pensioengerechtigde leeftijd’ in de arbeidsovereenkomst is bedoeld aan te knopen bij hetgeen wordt bepaald in een pensioenregeling. Dat geldt temeer nu in de pensioenregeling het begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ niet voorkomt, maar daarin juist wordt uitgegaan van een flexibele pensioendatum. Voorts wordt met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ volgens normaal spraakgebruik de AOW-leeftijd bedoeld. Het hof acht het voorshands dus aannemelijk dat in het pensioenontslagbeding met ‘pensioengerechtigde leeftijd’ werd bedoeld aan te sluiten bij hetgeen in de AOW daarover is bepaald. Het in artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst opgenomen begrip ‘pensioengerechtigde leeftijd’ is niet gedefinieerd in de pensioenovereenkomst, zodat reeds daarom niet goed valt in te zien dat een wijziging van de pensioenovereenkomst moet leiden tot de conclusie dat door die wijziging het pensioenontslagbeding een andere inhoud heeft gekregen. Voorts moet het werkneemster duidelijk zijn geweest dat de wijzigingen in de pensioenovereenkomst waren ingegeven door de wijziging in de wetgeving met betrekking tot de AOW-gerechtigde leeftijd en fiscaliteiten. Dat de wet op het punt van de AOW-gerechtigde leeftijd is gewijzigd kan werkneemster gelet op de grote mate van publiciteit hierover niet zijn ontgaan, daargelaten dat in de e-mail van medewerker X daaraan uitdrukkelijk wordt gerefereerd. Nu de nieuwe pensioenregeling een algemene, niet op de persoon toegespitste regeling betreft, die tot stand is gekomen naar aanleiding van gewijzigde wetgeving over de pensioengerechtigde leeftijd en die regeling uitdrukkelijk een mogelijkheid voor een eerdere of latere ingangsdatum van het aanvullend ouderdomspensioen toelaat (afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden), kon werkneemster er niet zonder meer van uitgaan dat deze nieuwe regeling tot gevolg had dat haar arbeidsovereenkomst een andere inhoud had gekregen.